woensdag 6 mei 2026

Kraanvogels, haring en toeristen

Aan de oever van de Noordede schrijf ik een verhaal over de Oostendse Baelskaai, waarin ook Gerard Dangreau (°1930 - 2006†) voorkomt, wat er een licht surrealistisch retroverhaal van maakt. De inhoud wordt mee bepaald door de vorm die ik mezelf opleg: drie keer exact honderd woorden: 100 voor de opening, 100 voor het midden en 100 voor het slot.


HET IS HET seizoen waarin de kraanvogels terugkeren. Da’s een meesterlijke openingszin, vind ik. De zin neemt je bij je lurven en zuigt je ’t verhaal binnen. Niemand wil weten waar die vogels eerst geweest zijn of waar ze vervolgens heen vliegen. Geen mens die weten wil wat voor vogels dat zijn, kraanvogels. Al wat je wil weten is dit: wat gebeurt er verder? Dat kan alleen met kraanvogels, denk ik. Je kunt die beesten niet vervangen door haringen, padden, oorlogen of toeristen, hoewel die evengoed terugkeren. Het komt, denk ik, doordat kraanvogels in de lucht hangen, net als spanning. 
Het toeristische seizoen nadert zijn hoogtepunt, de vraag naar haring piekt. Hij rijdt fulltime rond met bokalen rolmops. Tijd om te schrijven heeft hij niet. Ineens wordt het teveel voor de schrijver, waardoor het verhaal plotsklaps een onvoorziene wending krijgt. Met zijn camionette rijdt hij weg van bij Dangreau (°). Op de Baelskaai wordt de auto ondergescheten door de massaal terugkerende kraanvogels. Alzo ontstaat het conflict waar het in zo’n verhaal toch om te doen is. De schrijver rijdt verblind verder tot hij weer aan honderd woorden komt, alsmede tot stilstand tegen een paal, want ook het middendeel is een drabble.
Rest de schrijver, tevens protagonist van dit verhaal, alleen nog een slot te bedenken, in honderd woorden uiteraard, net als de opening en ’t midden. De ruitenwissers doen hun werk en na tien minuten zwiepen is er genoeg kraanvogelstront van de voorruit geveegd opdat hij de situatie onder ogen zou kunnen zien. Wat hij ontwaart is de werkelijkheid. Op de Baelskaai bestaat Dangreau allang niet meer en degenen die daar nu wonen hebben geen interesse in zijn rolmops. Bovendien weet hij niet eens of kraanvogels (°°) bestaan, hoe ze er desgevallend uitzien en, ook niet onbelangrijk, of het wel trekvogels zijn.
Flor Vandekerckhove

(°) Gerard Dangreau, geboren op 19 septem­ber 1930, begon in 1948 als visleurder met een ronde in Henegouwen en Wallonië. Door een zwaar ongeval kwam een einde aan deze activiteit. Na de zijn revalidatie werkte Gerard tien jaar in de Frigorifères du Littoral van Crops waar vismeel gemaakt werd. Nadien werd hij visfileerder, chauffeur en ijsvervoerder. Hij begon in 1958 ook een winkel op het Vissersplein in Oostende, maar bleef intussen bij Crops aan de slag als frigoman. In 1962 startte hij met een groot­handel in pakhuis 64 in de vismijn. Acht jaar later stapte hij in de zaak van zijn vader aan de H. Baelskaai en bouwde deze uit tot een onderneming voor verse vis, inleggerij, mayonaise, sausen, slaat­jes en later ook diepvriesproducten. Hij stond bekend als een maatjesspecialist. 
(°°) In de Griekse mythologie was de kraanvogel een voorteken, zo ook in dit verhaal.

Nadat het leven me van stad naar stad had gebracht, van werk naar werk en van vrouw naar vrouw, streek ik in Bredene neer, waar ik ook mijn jeugd had doorgebracht. Daar startte ik een schrijfproject dat onderzocht hoe het anderen vergaan was. Ik delfde sporen van schoolmakkers op, jongens waarmee ik tijdens m’n tienerjaren de schoolbanken in een Oostends college deelde. 
Had het iets te betekenen, het leven van die babyboomers in de sixties? Ik schreef er een boekje over, Tienerklanken, zo genoemd naar een TV-programma dat in die tijd voor ons gemaakt werd. Dat boekje is nu beschikbaar.
Tienerklanken is een e-boek (117 pagina’s in pdf of epub naar keuze), uitgegeven door De Lachende Visch en gratis verspreid door De Weggeefwinkel. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be en het boekje valt vandaag nog in je mailbox. GRATIS! (Vermeld: ‘Tienerklanken’ en zeg epub of pdf.)

Geen opmerkingen: