maandag 11 mei 2026

Leren schrijven met Louis-Ferdinand Céline

De foto's komen uit Les secrets d'écriture de Louis-Ferdinand Céline, interview uit 1959: ‘Voor een boek dat uit een manuscript van 2500 pagina’s zou beslaan, schreef hij 80.000 vellen papier vol, die hij met wasknijpers aan elkaar bevestigde.’

‘ZE LEERDEN ONS zinnen te maken die uit het Latijn zijn vertaald, evenwichtig, met een werkwoord, een onderwerp, een bijzin, ritme. (…) Ze zeggen van een auteur: “Hij breit een mooie zin!” Ik zeg: “Het is onleesbaar.” Ze zeggen: “Wat een prachtige, theatrale taal!” Ik kijk, ik luister. Het is plat, het is niets, het is nul.’ Het citaat is van Céline, schrijver die omwille van zijn stijl beroemd wil blijven. (°) ’t Is iets wat altijd terugkomt wanneer het over Céline gaat, zoals ook in dit Interview Imaginaire: ‘Er zijn genoeg verhalen op straat: ik zie overal verhalen, veel politiebureaus, veel gevangenissen, veel van onze levens. Er zijn duizenden schrijvers die verhalen vertellen, maar dat zijn schrijvelaars. Alleen schrijvers die een stijl hebben interesseren me; als ze geen stijl hebben, ben ik niet geïnteresseerd. En het is zeldzaam, een stijl, meneer, het is zeldzaam.’ Of in Louis-Ferdinand Céline vous parle, 1958: ‘Ideeën, niets is vulgairder. Encyclopedieën staan ​​vol ideeën, er zijn veertig enorme delen, volgepropt met ideeën. Heel goede ideeën, trouwens, uitstekende ideeën. Ideeën die hun beste tijd hebben gehad. Maar daar gaat het niet om. Ideeën, boodschappen, zijn niet mijn domein. Ik ben geen man van boodschappen. Ik ben geen man van ideeën. Ik ben een man van stijl. Stijl, daar blijft iedereen bij stilstaan, maar niemand waagt zich eraan. Omdat het heel hard werken is. Het bestaat erin, zoals ik al zei, zinnen uit hun hengsels te lichten.’
Het doet me denken aan een quote van Isaak Babel: ‘Een zin wordt geboren onder goed en tegelijkertijd onder slecht gesternte. Het geheim schuilt in een nauwelijks waarneembare wending. De hendel moet in je hand liggen en warm worden. Je moet hem één keer overhalen, niet twee.’ Alleen ziet het eruit dat Céline de hendel in almaar toenemende mate omdraait: ‘De correcties en veranderingen zijn niet te tellen, scènes worden omgegooid, weggelaten, uitgebreid, toegevoegd, te traditioneel lopende zinnen in stukken gebroken en anders gegroepeerd, te neutrale woorden en uitdrukkingen weggelaten of vervangen, bepaalde vondsten en anekdotes blijven gehandhaafd, andere vallen af.’ Ik haal het citaat bij vertaler Frans van Woerden die ze in een nawoord schrijft van Van het ene slot naar het andere. (°°) Hij vertaalt ook Dood op krediet en in een nawoord op dat boek schrijft hij hoe die nieuwe stijl er zo gekomen is. Na het meesterlijke Reis naar het einde van de nacht blijft Céline ontevreden achter. Hij vindt dat hij op de verkeerde weg zit. Hij moet van stijl veranderen. Van Woerden: ‘Wie de Reis en Dood op krediet naast elkaar legt zal weinig moeite hebben met de vraag of Céline hierin is geslaagd! Bij willekeurig doorbladeren wordt al vrij snel duidelijk dat het hier om een merkwaardig boek gaat: van traditionele zinsbouw is geen sprake, de tekst is doorzeefd met uitroeptekens en de zo beroemd geworden drie puntjes; de stijl is telegramachtig, korte zinnen volgen elkaar in adembenemende vaart op, het ritme, de klank en de kleur van het vocabulaire, dat doorspekt is met ‘argot’ (…), met medisch, technisch en ambachtelijk vakjargon doen hallucinerend aan.’ In Guignol’s Band zegt Céline daar zelf over: ‘Jazz heeft de wals op zijn kop gezet, je schrijft in telegramstijl of je schrijft helemaal niet!’ Ik vind de woorden niet meer weer in het boek, dat komt ervan als je vergeet er een streep onder te trekken, ik citeer uit het hoofd. Wel vind ik een aangekruist citaat van vertaler Frans van Woerden weer: ‘Wat de zinsconstructie betreft valt op dat Céline vooral bij de poëtische passages bijzonder vrij te werk is gegaan. Lidwoorden, voorzetsels, zelfs werkwoorden worden weggelaten, woordvolgordes omgegooid, alles omwille van ritme, klank, vaart, melodie. Dat zijn werk stilistisch voortdurend in turbulente ontwikkeling was is in Guignol’s Band overduidelijk.’
Flor Vandekerckhove

(°) Ik vertaal de woorden uit The Paris Review, the Art of Fiction No. 33.
(°°) Louis-Ferdinand Céline. Van het ene slot naar het andere. Vertaling Frans van Woerden. 1988. Meulenhof A’dam. 382 ps. Dat boek recenseerde ik eerder al in Een nazischrijver met stijl.

Geen opmerkingen: