vrijdag 23 maart 2018

Onbekende familie is ook familie


— Van links naar rechts: Madeleine Vandekerckhove, haar broer Albert en hun zuster Margriete. — 

In 1880 trouwt werkman Karel Vandekerckhove met de werkster Leonia Grosseel. Uit dat proletarische huwelijk ontspruiten dertien kinderen. Een ervan heet Arthur (°1882), een andere Edmond (°1897).
Edmond heb ik gekend, dat is mijn grootvader. Arthur daarentegen heb ik nooit gezien, nooit eerder van gehoord zelfs, maar ’t is wel Arthur die we nu gaan volgen.
Hij trouwt met Leonie Janssens, en daar komen zes kinderen uit voort; drie ervan staan hierboven afgebeeld: Madeleine die achter het gordijn wil verdwijnen, Albert die parmantig op een bijzettafeltje steunt en Margriete die erbij gaat zitten.
Het gezin heeft nog kinderen, maar daarvan heb ik geen foto’s. Zo is er Irma die als alleenstaande vrouw twee kinderen baart die niet door haar, maar door de familie opgevoed worden. Irma ontvliedt West-Vlaanderen en trekt naar Brussel. Je gaat me niet vertellen dat daar geen verhaal achter zit. En dan zijn er nog twee broers. Een heet André, de naam van de andere ken ik niet — vermoedelijk Kamiel — maar ook hij is een verhaal waard: de jongeling geraakt betrokken in een dispuut om een meisje. De concurrentie gooit hem ergens tussen Snaaskerke en Gistel van de brug en hij verdrinkt. Vragen doorklieven mijn brein: bestaat die brug nog? Is er een foto van die jongen? Heeft zo'n incident een spoor nagelaten in een krant?
Al de kinderen van Arthur moeten tegen mijn grootvader nonkel zeggen; het betreft derhalve neven en nichten van mijn vader. Ik mag veronderstellen dat mijn vader hen ontmoet heeft; op begrafenissen bijvoorbeeld, want dat is ook de plek waar ikzelf mijn neven en nichten nog eens zie, als ze niet nalaten om me uit te nodigen tenminste.
Wie mijn vader heel zeker te zien krijgt is zijn achternicht Georgette, het enige kind van Albert die hierboven centraal op de foto’s staat. Ook ik ken haar, want op de Visserskaai in Oostende hielden zij en haar man destijds een restaurant open, waar ik regelmatig heen moest fietsen met een vleesmand vol gevogelte.
Sinds kort zie ik Georgette wekelijks, want in het kader van een voor mij ongewoon aanhalen van familiebanden ga ik die achterachternicht (ja, twee keer ‘achter’) regelmatig opzoeken in het woonzorgcentrum van Bredene waar ze ferm tegen haar zin verblijft. ’t Is daar ook dat ik het materiaal verzamel dat me tot dergelijke stukjes inspireert.

Flor Vandekerckhove


— Het restaurant Fryatt op de Oostendse Visserskaai, wellicht kort na de opening in 1960. —

Een reactie posten