dinsdag 19 februari 2013

Mars


Ook in die tijd bestonden er paparazzi. Leopold II wordt 
achternagezeten door de pers. —
Toeristen komen van overal, maar de tekeningen komen van Mars. Dat zou een mooie ondertitel voor dit stukje kunnen zijn.
Toen de Belgische staat in 1830 gesticht wordt, is Oostende nog een echte vissersstad. Van toerisme is daar in die tijd nauwelijks sprake. Vergeten we niet dat het woord zelf, toerisme, pas in 1839 voor het eerst in het Nederlands neergeschreven wordt.
De stad heeft in die tijd ook weinig te bieden aan de zeldzame bezoekers die naar de zee komen kijken. Daar wordt langzaam maar zeker iets aan gedaan. In het stadhuis richt het bestuur in 1837, tijdens de zomermaanden, een casino in. Op de smalle dijk, die in die tijd van de stad gescheiden wordt door vestinggrachten, staat een vuurtoren en rond die ‘Phare’ kan je vanaf 1845 iets consumeren in het café-restaurant dat terecht Cercle du Phare genoemd wordt. Wat verder staat het Pavillon des Bains waar men warme en koude baden kan nemen.
De vestinggrachten belemmeren de ontwikkeling van het oprukkende toerisme. In het album Souvenirs d’Ostende (1854) weidt drukker-lithograaf Daveluy hierover uit: ‘Wat jammer dat Oostende een versterkte stad is! Zij zou moeten openstaan naar de vier windstreken, vermits men voor de zee komt, dat de zee dan tenminste zichtbaar weze. Moesten de wallen gesloopt worden, de grachten gedempt en de stad rechtstreeks in verbinding staan met de zeedijk, zou op het puin van de vestingen een nieuwe dijk verrijzen met zicht op de brede oceaan.’
De overheid is uiteraard dezelfde mening toegedaan. In 1865 wordt begonnen met de ontmanteling van de stad en in 1868 is Oostende bevrijd van het knellende keurslijf.
Daarna gaat het vlug. In koortsachtig tempo wordt de stad geürbaniseerd: de zeedijk wordt rechtgetrokken en verbreed en in 1874 wordt het Koninklijk Chalet opgetrokken, een geprefabriceerd houten gebouw dat Leopold II uit Engeland laat komen. Naar analogie met verschillende badsteden aan de Engelse zuidkust wil de koning Oostende ombouwen tot een ‘seaside resort’. Het is dan ook mede door zijn talrijke projecten dat de stad uiteindelijk de ‘Koningin der Badsteden’ zou worden.
De bouw van dat Koninklijk Chalet geeft ook aanleiding tot het ontwikkelen van een nieuwe ringbaan, de Koninginnelaan. Deze verbindt de dijk met de belangrijkste invalswegen en met het nieuw te creëren park, genoemd naar koningin Maria-Hendrika (voor de Oostendenaars ‘het bosje’). Deze ringweg wordt verder verfraaid met twee ‘squares’, de pleinen Prinses Stéphanie en Prinses Clémentine, beide genoemd naar dochters van de vorst. Naast deze squares komen er mondaine voorzieningen, zoals paardenstallen (De Koninklijke Stallingen – gebouwd 1903 in dezelfde stijl als het Koninklijk Chalet) en een tennisclub.
In 1875 wordt een aanvang gemaakt met het bouwen van een kursaal. In 1882 heeft de inwijding plaats van het nieuwe station. In 1885 wordt de renbaan aangelegd, op de plaats waar Napoleon eerder Fort Royal wilde bouwen (de bouw werd echter voltooid door de Engelsen die het – o, zoete wraak - Fort Wellington noemen). Ook de nieuwe haveninstallaties, waarvan Leopold II in 1898 de eerste steen legt, zijn voor de ontwikkeling van het toerisme in Oostende uiterst belangrijk.
Veel van die bouwwerken worden ook gefinancierd door de koning zelve die daarvoor geld gebruikt dat hij uit zijn persoonlijke kolonie Kongo-Vrijstaat haalt.
[Hier past een opmerking die ik uit de Wikipedia ventileer. De 23 jaar dat Kongo onder ‘s mans persoonlijke bewind viel werden gekenmerkt door volkerenmoord, slavernij, ontvoeringen, martelingen, verkrachtingen, onthoofdingen en het afhakken van handen. Het aantal slachtoffers was aanzienlijk. De Britse diplomaat Roger Casement heeft het over drie miljoen tijdens twaalf van de twintig jaar. Peter Forbath noemt ten minste vijf miljoen. Adam Hochschild spreekt van tien miljoen en de Encyclopedie Britannica spreekt van een totale bevolkingsafname van twintig tot dertig miljoen naar acht miljoen.]
Door toedoen van Leopold II wordt Oostende een toeristische attractiepool. Elk seizoen geeft het mondaine Europa daar rendez-vous. De trein verbindt de stad met heel het vasteland, terwijl de maildienst Oostende-Dover vanaf 1846 een brug slaat over het Kanaal.
Van een vissersstad veranderde Oostende in een toeristisch centrum.
Al het voorgaande levert wel degelijk resultaten op.
In 1896 woonden in Oostende zo’n 30.000 mensen. In datzelfde jaar verbleven er in de stad al 41.898 toeristen: 39.924 kwamen uit Europa, maar er waren ook 1.691 Amerikanen, 169 Afrikanen, 63 Aziaten en 51 Australiërs. De mondaine wereld had de stad ontdekt en de neringdoeners konden er alleen maar wel bij varen.
Ook de uitgevers pikten een graantje mee. Samen met de ontwikkeling van het toerisme ontstond een nieuw genre: het toerismeboek. Steden als Londen, Parijs, Spa, Biarritz en ja, ook Oostende werden in boekvorm gegoten, veelal gebeurde dat door tekenaar Maurice Charles Mathieu Bonvoisin, die zich Mars liet noemen.
Mars was een fabrikantenzoon die de leiding van de onderneming in Verviers aan zijn broer overliet om Europa te doorkruisen, terwijl hij in opdracht van uitgeverijen en ten behoeve van de toeristen het ‘pittoreske’ leven van steden en streken tekende.
In 1896 verscheen La Vie d’Ostende. Het was dan wel een periode van sociale onlusten, maar daarvan valt in dat boek niets te zien. De burgerij beleefde immers haar ‘belle époque’. We zien in het boek vooral dames die zich in zee wagen om er te baden. Strandcabines op wielen brengen die dames tot aan de zeerand. Mars laat ons vooral vrouwen zien die ingewikkelde badpakken dragen die hun indrukwekkende ‘derrières’ nochtans niet kunnen camoufleren, als ze die al niet benadrukken. Hij tekent taferelen op de renbaan, op het strand, in de duinen, in het casino, op de dijk. Uiteraard ontbreekt Leopold II niet, maar er is ook veel aandacht voor figuren uit de visserij, die Mars wellicht bijzonder pittoresk vond.
Op de zeedijk en in de voornaamste straten werden prachtige verblijven gebouwd waarin rijke industriëlen en edellieden hun tijd doorbrachten in zalig nietsdoen. Ze kwamen er genieten van de rijkdom die ze zelf niet verdiend hadden. In het kursaal, het casino en de luxewinkels waren de prijzen voor de vissers onbetaalbaar. Die moesten vele maanden zwoegen om datgene te verdienen wat de rijken in enkele uren aan nutteloze zaken besteedden. De stad werd daardoor een plek van confrontatie tussen onmetelijke rijkdom enerzijds en schrijnende ellende anderzijds.
Dat was uiteraard niet bevorderlijk voor het toerisme. Dus diende er naar een andere locatie voor de vissers gezocht te worden.  Onderwijzer Foutry die een geschiedenis van Oostende schreef formuleert het zo: ‘Verder was heel het visscherskwartier één woonkazerne geworden en waren de kroegen zoodanig in aantal toegenomen dat ons zeevolk in een gealcoholiseerd ras dreigde te ontaarden. Men begrijpt dat, ook op zedelijk gebied, een ware ondergang van ons volk voorzien was. (…) Vergeten we daarbij niet, dat de visscherskinderen op die wijze bewaard blijven voor het beroep van hun voorvaderen, daar allerhande “postjes” in een te nabije seizoenstad tal van zeemanszonen aan de scheepvaart ontrukten.’
De maatschappij ‘Ostende Phare et Extension’, afgekort tot Opex, was de naam van de firma die eind 19de eeuw werd belast met de bouw van een totaal nieuwe wijk voor de vissers en arbeiders aan de Oosteroever van de haven, langs de toenmalige Congolaan (nu E. Moureauxlaan). De huidige Oostendse wijk tussen de E. Moreauxlaan en de Oostendse Spuikom (intussen ook een gewone woonwijk met een combinatie van rijhuizen, bungalows, villa's en appartementen) wordt trouwens nog steeds ‘den Opex’ genoemd.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen