dinsdag 7 mei 2013

Work in Progress (XI)


[Op mijn vierenzestigste verjaardag begon ik een autobiografie te schrijven, meer bepaald een min of meer verbeelde variante op het genre. Ik hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

XI.
Het voorgaande hoofdstuk is, zoals ik het eigenlijk ook wel verwacht had, erg saai uitgevallen en het is nog maar zeer de vraag of het hier zal verbeteren. Want ik wil het nu toch ook wel eens over cultuur hebben, de cultuur van het milieu waaruit ik voortgesproten ben, zo’n middenstandsgezin in de jaren vijftig van de vorige eeuw, een katholieke familie van winkeliers in een buitengemeente van Vlaanderen.  Waarbij u spontaan aan verveling begint te denken, verveling vergelijkbaar met deze die meesterlijk verwoord wordt in De avonden van de Nederlander die in die tijd nog Simon van het Reve heet.
Ik ken die verveling wel, ja, godver hoe ken ik die verveling! Ze is echter niet alleen mijn deel, maar ook dat van mijn moeder. We delen die verveling, maar ze brengt ons niet dichter bij elkaar, integendeel. 
Op weekdagen moet mijn moeder de avonden alleen doorbrengen. De ene avond blijft ze thuis alleen achter omwille van een welbepaalde reden en de daaropvolgende avond zit ze daar even goed eenzaam te zijn, maar dan omwille van een andere.
Zo om de twee dagen komt mijn vader in ’t holst van de nacht thuis, stomdronken, dat is de ene reden. We slapen dan nog niet, mijn moeder en ik, maar we liggen tegen die tijd wel al lang in bed, wakend. We liggen elk in onze kamer met open ogen naar ’t plafond te staren en gespannen naar de straatgeluiden te luisteren.  Is het motorgeluid dat we in de verte horen naderen dat van zijn camion? Het lawaai groeit aan, de vrachtwagen passeert het huis, het lawaai neemt af en sterft weg.  Dat patroon herhaalt zich tot wanneer de kleine tankwagen van mijn vader eindelijk effectief de straat komt binnengereden.
Op de tussenliggende dagen is de situatie anders.  Dan gaat hij, om het slaaptekort van de vorige nacht te recupereren en doodop van ’t harde werk —­ want dat doet hij ook ­— extra vroeg naar bed, vroeger zelfs dan zijn kind dat bijlange nog geen teenager is. Dat is de andere reden waarom mijn moeder de avonden in eenzaamheid moet doorbrengen.
Wanneer vader van zijn slaaptekort recupereert, en het voor haar te vroeg is om te slapen, breit ze pulls.  Naarmate ze daar vaardiger in wordt, nemen haar breiwerken in complexiteit toe, zodat ik op den duur in pullovers rondloop die de vrucht zijn van echt wel vreselijke ontwerpen; kledingstukken waarin ik me nauwelijks durf te vertonen. Een van die brijwerken levert een trui op waarop ze vooraan ook nog eens de letters FL borduurt, de eerste letters van mijn voornaam, waardoor ik door mijn makkers jarenlang als Fluppe aangesproken wordt, of erger nog, als Flurk, de stripfiguur die in de krantenbijlage De lustige kapoentjes de rol van slechterik speelt, Moeders doen hun kind wat aan!
De avonden die ik met mijn moeder doorbreng, ervaar ik als onprettig, en deze waarop mijn vader aan ’t zuipen slaat zijn dat in extreme mate. We wachten. We luisteren naar de straatgeluiden.  Horen we het geluid van zijn tankwagen? We besluiten alvast te eten. Naarmate de uren verstrijken wordt het ons duidelijk dat het weer erg laat gaat worden. Haar ergernis neemt toe. De spanning stijgt en het huis wordt met stress gevuld.  De verzuring van mijn moeder zoekt zich een weg naar haar maag, waardoor ze heel de tijd gaat boeren. Nu en dan neemt een lepel van de fles Maalox, een witte stroperige vloeistof die haar nauwelijks lijkt te helpen. (Ik zie op ’t internet dat het medicijn nog altijd bestaat, hopelijk is ’t inmiddels doeltreffender geworden.)
Ook in mezelf voel ik de onlust groeien. Het wordt donker.  De wind giert in de kieren van het huis. Ze beveelt me naar hem op zoek te gaan, ze zegt dat ik hem naar huis moet brengen. Ik zei het al, moeders doen hun kind wat aan.
De schrale noordenwind zandstraalt mijn blote benen, want een lange broek krijg je niet voor je twaalf geworden bent. In Bredene ken ik vaders vaste stekken. Dichtbij is er het café Willem Tell. Verder weg, tussen Oostende en Bredene, is er café ’t Pitje.  Helemaal de andere kant op, tussen Bredene en De Haan, is er een café waarvan ik inmiddels de naam vergeten ben… Mocht hij aan ’t einde van zijn kroegentocht gekomen zijn, dan heb ik een kans om hem in een van die drie cafés te vinden, die helaas op grote afstand van elkaar liggen.
Aan de Willem Tell zie ik zijn tankwagen niet staan. Ik ga de Driftweg op om te kijken of ik aan ’t Pitje meer geluk heb. Het is een lange tocht. Mijn knieën zijn blauw van de kou. Ook daar staat zijn camion niet. Ik geef niet op, want de toestand is thuis al te benauwd. Ik moet en zal hem vinden. Op weg naar het derde café passeer ik weer de Willem Tell en door een kier van de draperieën zie ik hem aan de tapkast staan. Blijkt dat hij zijn auto achter de haag van de Koninklijke baan geparkeerd heeft, uit het zicht, opdat ik hem niet zou vinden. Ik ga het café binnen. Er is één klant, mijn vader. Ik vraag hem om met me mee naar huis te gaan. Hij negeert me. De waardin scheldt hem de huid vol. Zie je niet dat dit kind je komt halen? Zou je niet beter naar huis gaan? Hij probeert zijn schaamte weg te lachen. Zijn gezicht staat vol rode plekken.  Wazige ogen. Zijn gebaren zijn hoekig.  Hij is al ver heen. Ik sta er beteuterd bij, maar ben niet van plan om zonder hem het café te verlaten. Voorwaar dit is de grondstof waarmee smartlappen gemaakt worden.
Na nog een glas, een laatste, en daarna een allerlaatste, gaan we eindelijk samen naar buiten. Wacht hier, zegt hij, ik ga de auto halen. Ik voel dat hij liegt, maar ik ben het soort kind niet dat zijn ouders tegenspreekt. Ik loop naar de straathoek en zie hoe hij met zijn tankwagen voorbijrijdt, weer richting Oostende, wellicht op weg naar ’t Pitje. Hij laat me in ’t duister staan, in de gierende wind, met een trui aan waarop FL geborduurd staat, alleen en eenzaam, vooral dat laatste.  Niet alleen moeders doen hun kind wat aan.
Ik twijfel. Ik denk niet dat Ik, blauw van de kou, nog tot aan ’t Pitje geraak.  Op ’t zelfde ogenblik komt de tram uit Oostende toe. Daaruit stapt tante Erna, mijn vaders jongste zuster. Ze heeft haar schooluniform aan. Ze vraagt me wat ik daar in de kou sta te doen. Ik moet geen antwoord geven, want ze weet dat ik mijn dronken vader zoek die ook zij zojuist heeft zien wegrijden. Kom zegt ze, ga maar mee met je tante. Hand in hand lopen we vlug door de straat naar huis, een heerlijk moment, tot bij onze huizen die in dezelfde straat schuin over elkaar staan. Ze doet het opdat ik warm zou krijgen, ook omdat ze weet dat mijn zoektocht zinloos is; ze toont me dat ze bekommerd is, net wat ik in de immense eenzaamheid van dat moment nodig heb. Ik ben er haar tot vandaag dankbaar voor.
Thuis zit mijn moeder naast de kachel te boeren. Ik zeg dat ik hem niet gevonden heb en ga naar bed waar ik weer lig te wachten tot wanneer ik zijn tankwagen het erf hoor oprijden. Slapeloosheid is wat ik er tot vandaag aan overgehouden heb. Ja, vaders doen hun kind wat aan.
Op zo’n avonden, waarop ze tevergeefs op de thuiskomst van haar echtgenoot wacht, laat moeder het breiwerk al eens links liggen, want waarom zou ze zich inspannen om man en kind te kleden, terwijl vader aan de zwier is? Dan stuurt ze me op de valreep naar de krantenwinkel om een stationsromannetje uit de reeks Avondlectuur te halen, een regelmatig verschijnende serie die ze afwisselt met weer een nieuw liefdesavontuur uit het concurrerende Lectuur voor de vrouw. Later leren feministen me dat vrouwen dergelijke romannetjes om dezelfde reden lezen als mannen die porno consumeren. In beide gevallen gaat het om geïdealiseerde personages, voor de mannen zijn dat hete, bloedstollend mooie wijven en voor de vrouwen zijn het dokters die even hoog in de maatschappelijke pikorde staan als ze romantisch zijn.
Weer is hij niet thuis. Het boeren neemt toe, de spanning eveneens. Opeens zegt ze dat ik mijn jas moet aantrekken. We gaan uit. Zonder pardon trekt ze me mee, dwingend. Prettig is het niet, op zo’n manier uit te moeten gaan. Blijkt dat we naar de parochiezaal trekken waar de pastoor die avond een film draait. Pijprokend zit hij naast het projectietoestel in een bomvolle zaal. In mijn herinnering is die zaal vooral gevuld met koppels uit de buurt. Alleen mijn moeder zit daar alleen, met haar kind dat daar evengoed alleen zit. Herinner ik het me goed dat de zaal ons dat laat voelen? Zijn we beschaamd?
Ik herinner me die film, zwart wit, een sociaal drama, het verhaal van een staking waarbij een jonge vrouw er alles aan doet om haar verloofde weer aan het werk te krijgen. Uiteindelijk haalt de vrouw haar slag thuis. De staking wordt gebroken, het verzet heeft niets opgeleverd. Ik herinner me het laatste beeld. De arbeiders trekken, kop in kas, massaal de poort binnen en ze verdwijnen in de donkere holte die de fabriek is. Achter hen wordt het rolluik neergelaten en daarop wordt FIN geprojecteerd. Zelf vind ik het een zeer onbevredigend einde. Waarom laten die vrouwen hun mannen niet met rust? Waarom kiest de film partij voor die vrouwen? Onbevredigend is ook onze terugweg, want ik zie aan haar gezicht dat de film de stress niet weggemasseerd heeft. Onbevredigend is nog het meest van al onze thuiskomst, want nog altijd is hij niet thuis.
De film mocht me met vragen achterlaten, hij liet me ook beseffen dat de projectie ervan een van de weinige momenten was waarop mijn moeder van een culturele activiteit van enig niveau kon genieten. Hoe opgesloten moet ze zich gevoeld hebben, een stadsmeisje dat in een dorp terechtgekomen was, zij die een man naar dat dorp gevolgd had die haar nu avond na avond alleen liet zitten?  Mannen konden in dat dorp deelnemen aan een bloeiend caféleven en ze hadden een beroep dat hen dagelijks naar de stad bracht. Vrouwen hadden alleen maar een gezin, in een buurt die in de winter niet anders dan een negorij genoemd kon worden.  Het weinige vertier dat hun aangeboden werd kwam van de pastoor; Vlaamse kermissen die de kas van missionaris pater Mestdagh moesten spijzen, een hoedjesbal waar vrouwen met elkaar dansten, kooklessen, een jaarlijkse uitstap met de bus, en een enkele keer een film die hun leerde dat het hun taak was de mannen van de sociale actie weg te houden, een film met een moraal die zei alle maatschappelijk verzet zinloos was.
Wat valt er verder nog te zeggen over de cultuur in mijn omgeving?  Er waren uiteraard ook mooie momenten.  Tijdens de weekends bleef mijn vader thuis. Zijn tankwagen bleef dan in de garage staan, want het was vooral — eigenlijk alleen maar  — tijdens de weekends dat er in de winkel veel te doen was. Kip was een zondags gerecht en mijn vader was dan onmisbaar.  Met grote stappen liep hij voortdurend over en weer tussen de winkel en het atelier waar hij zijn kippen prepareerde.  En ’s avonds was het dan thuis wel degelijk aangenaam vertoeven.
Op zaterdagavond werd ik in de tobbe gezet, in ’t midden op de tafel van de eetkamer, en gewassen.  Daarna mocht ik in mijn pyjama nog een beetje opblijven. Dan zaten we gedrieën rond de radio en luisterden naar Radio Luxembourg waarop de quiz Quitte ou Double uitgezonden werd, een spel waarbij de deelnemer te kiezen had. Ofwel nam hij het gewonnen bedrag mee naar huis ofwel zette hij door, waarbij hij dat bedrag kon verdubbelen of helemaal verliezen.  Ik begreep geen Frans, maar ik deelde wel in de uitbundige lach van mijn ouders, als telkens weer bleek dat de speler, haast tegen beter weten in, alles op alles zette en besloot het spel verder te spelen. Spannend! Dat waren mooie avonden.
Mooi waren ook de winterse zondagmiddagen. Het werk in de winkel zat erop. De radio zond een populair muziekprogramma uit, waarop die twee wel eens begonnen te dansen, wat ik een uiting van overdreven emotie vond, maar uiteraard toch prefereerde boven de onlust die tijdens de week over het huis regeerde.  Na het middageten probeerde vader zijn camionette, de weerbarstige Hillman, aan de praat te krijgen en zodra dat lukte togen we op weg. Soms reden we zomaar wat in het rond, waarbij mijn ouders commentaar gaven op de vooruitgang die overal zichtbaar was, hier een nieuw huis, daar een nieuwe weg. Rond Allerheiligen ging de rit naar familie, een tocht die steevast op een kerkhofbezoek uitdraaide. Dan ging het naar Gent waarvan mijn moeder afkomstig was of naar de streek van Westkerke, waar mijn vaders familie vandaan kwam. 
Wanneer die familiale verplichtingen er niet waren, togen we regelmatig naar een van de Oostendse cinema’s. De eerste film die ik daar in een echte bioscoop zag was Peter Pan.  Hoe jong was ik toen? Walt Disney had de film in 1953 gedraaid. In dat jaar was ik vier.  Werd die film nog in datzelfde jaar in Oostende vertoond?
Meestal gingen we naar een zaal die Cameo heette, waar de vertoningen om twee uur ’s middags aanvingen. Veelal zat die zaal vol, soms zelfs tot in de nok, want de Cameo had twee balkons. Omdat we telkens te laat waren om de film van bij de aanvang te zien, moesten we veelal aan de deur wachten tot de ouvreuse ons kwam halen. Dat was een algemeen gangbare praktijk. Achter het licht van de ouvreuses zaklamp ging je bijvoorbeeld halverwege de vertoning binnen en je bleef na de film zitten tot je in de volgende voorstelling het journaal van Belgavox gezien had, vervolgens de voorfilm en uiteindelijk ook alle beelden van de hoofdfilm die je eerst gemist had. Wanneer het zover was, verliet je de zaal zodat de ouvreuse weer andere wachtende filmliefhebbers kon binnenloodsen.
Aan die cinemabezoeken houd ik de beste herinneringen over. Ik keek er heel de week naar uit. Ik keek ook uit naar het moment waarop in het café rechtover ons huis affiches van weer een nieuwe film uitgehangen werden.  Tot vandaag behoort een regelmatig cinemabezoek tot mijn gewoonten, en de bron daarvan is in mijn kinderjaren te vinden.
Mijn kindertijd speelt zich gedeeltelijk af in een tijdvak waarin de televisie zijn intrede nog niet gemaakt heeft. Om de avonden te vullen leest mijn moeder, zo heb ik hoger al gezegd, het vrouwelijke equivalent van porno, mijn vader neemt nota van het nieuws via de krant.  Op de radio vraagt het gesproken dagblad thuis telkens om complete stilte. 
Boeken lezen vindt mijn vader maar niks. Dat kom ik te weten zodra meester Rotsaert, de onderwijzer die het eerste leerjaar voor zijn rekening neemt, me leert lezen. Ik zie mezelf op dat cruciale moment nog in die klas zitten, het moment waarin abstracte letters zich tot iets concreets samenvoegen. Maandenlang hebben we het alfabet ingestudeerd, saai, saai, saai, maar opeens schrijft Rotsaert drie ogenschijnlijk willekeurige letters uit dat alfabet op het bord en daar gebeurt het. Als bij wonder verschijnt er een woord, iets wat ik begrijp. Daar op dat bord staat opeens iets wat betekenis heeft. Ik steek mijn hand op en spreek het woord uit. Ik Kan Lezen!
Sindsdien lees ik alles wat ik te pakken krijg. Ik lees de krant, ik lees de verhalen van Robbedoes, die in dikke verzamelbundels goedkoop verkocht worden en omzeggens overal te vinden zijn, ik lees de informatie op flessen, bokalen en dozen.
Ik hunker naar een boek, een echt leesboek en grijp daarvoor naar wat er in huis voorhanden is. Ik probeer zo’n deeltje uit de serie Lectuur voor de vrouw te lezen, maar begrijp al vlug dat zo’n verhaal over een ideale man, uiteraard een romantische dokter, tegelijk een soort ontrouw tegenover mijn vader inhoudt, een mens die ongeveer het tegendeel is van de zachtmoedige held die in dat verhaal beschreven wordt.  Ik vind dat mijn moeder mijn vader daarmee verraadt, want hoe vreemd het ook mag klinken, ik heb veelal compassie met mijn vader, een gevoel dat concurreert met de weerzin die ik eveneens voel wanneer ik hem zie thuiskomen tijdens weer zo’n nacht die ik slapeloos, wakend, wachtend, doorbreng, en hem uiteindelijk vanuit mijn kamervenster zwalpend de afstand tussen de garage en het huis zie afleggen.
Ik stap over naar het ernstige werk. Ik sla een Bijbelinterpretatie van de Getuigen van Jehova open, een mooi vormgegeven boek met harde kaft en een goudgekleurde titel, een boek dat mijn moeder wellicht aan de deur gekocht heeft om van die missionarissen af te geraken. Ik probeer het onder de tafel te lezen waar ik ’s avonds met dekens een soort kamp maak dat me enige privacy geeft, want mijn moeder heeft me voor het nieuwe geloof gewaarschuwd, dat satan altijd aan ’t werk is, dat er gevaarlijke onwaarheden in dat boek staan. Wat in mijn kinderbrein ook betekent dat daarin interessante dingen te lezen zullen zijn, wat haast niet anders kan, want het is echt een heel mooi vormgegeven boek, veel mooier dan Lectuur voor de vrouw die op goedkoop krantenpapier gedrukt wordt. Helaas blijkt de Bijbelduiding van het nieuwe geloof vooral onleesbaar te zijn.
Het eerste leesbare boek dat me in handen valt, heet De wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees.  Ik lees het uit, maar wel in stukken, want op een zondagmorgen neemt mijn vader me die schelmenroman uit handen en scheurt hem middendoor. Het wordt hem teveel dat ik daar in de woonkamer, achter de winkel, zit te niksen, terwijl er toch veel werk aan/in de winkel is. Op zondagmorgen is ‘t druk, het moet vooruitgaan — gauw! — en dan moet een kind niet zitten lezen. Hem zul je nooit in onledigheid aantreffen, toch niet met een boek in de hand.  Het is zijn manier om me dat zonder omhaal van woorden duidelijk te maken en wellicht valt die herinnering samen met de laatste keer dat ik als kind een onbezorgde zondagvoormiddag doorgemaakt heb, al de volgende zondagen van mijn jeugd zullen ’s morgens in het teken van de verkoop staan.
Die eerste leeservaringen, met de waarschuwingen van mijn moeder tegen verboden boeken en het verzet dat het lezen bij mijn vader oproept, leren me dat ik aan de benauwde wereld van mijn ouders kan ontsnappen door in deze van het boek te stappen. Mocht ik erin slagen de weerzin van mijn ouders te negeren en die boekenwereld effectief te betreden, dan kan ik daar voor mezelf een eigen universum in maken, een wereld waartoe mijn ouders geen toegang hebben. Lezen wordt daardoor letterlijk een avontuur, een tocht doorheen het onbekende, een ontdekkingstocht, een zoektocht naar een nieuwe wereld, een wereld die ik de mijne zal kunnen noemen.
Die halfverboden wereld schuilt in de openbare bibliotheek van de nonnen zelfs op een welbepaalde plaats, in een kast die afgesloten kan worden en waarin zich boeken bevinden die alleen maar door bepaalde lezers gelezen worden, lezers die voldoende katholieke vorming achter de kiezen hebben en die in geen geval nog kind zijn. 
Telkens ik in de bibliotheek kom worden mijn ogen door de kast aangetrokken. Die ene dag dat die kast er onbewaakt bijstaat sla ik toe. Ik grijp er een willekeurig boek uit en slaag erin het tussen mijn kinderlectuur voorbij de non te krijgen. Thuis zet ik me in mijn kamp, onder de tafel, en begin te lezen in een boek dat Schuld en boete blijkt te heten.  Ik treed binnen in de gevaarlijke wereld van de student Raskolnikov die een moord pleegt.  Voor het eerst lees ik een boek dat de term gevaarlijk effectief verdient. Ik heb er veel avonden over gedaan en ik heb er wellicht nauwelijks iets van begrepen, maar ik heb dat boek wel uitgelezen, alleen maar omdat ik de verboden wereld van het boek echt wilde betreden. 
Later probeer ik dat boek meer dan eens opnieuw te lezen. Pakweg om de tien jaar onderneem ik een nieuwe poging om Dostojevski tot mij te nemen. Ik slaag er niet meer in Schuld en boete, dat in niet-katholieke vertalingen Misdaad en straf blijkt te heten, helemaal uit te lezen.
De boekenwereld die ik als kind ontdek, blijkt vooral veelzijdig te zijn. Naast de schrikaanjagende Raskolnikov ontmoet ik in die wereld ook De Witte, een kereltje waarmee ik me verwant kan voelen omdat zijn problemen dichter bij de mijne staan dan deze van Raskolnikov.  Ook de Witte heeft het lastig om ’s morgens fris en monter op te staan. In de boekenwereld leer ik trouwens ook Robrecht kennen, die zich De Leeuw van Vlaanderen laat noemen, en ook bij de smachtende Machteld kan ik me al een en ander voorstellen. De wereld van het boek is er een van vrije keuzes.  Ik kan me vereenzelvigen met de helden van de Vlaamse strijd, maar ik kan evengoed het gezelschap opzoeken van Isidoor, een Vlaams burgermannetje dat Aster Berkhof geschapen heeft in een boekje dat ik evengoed verslonden heb en dat me veel later, ook als volwassene, verschillende, uiteraard mislukte, pogingen laat ondernemen om zelf duiven te kweken, zoals Berkhofs Isidoor dat me met meer succes voorgedaan heeft.
Ik kan er zelfs voor kiezen om tegelijk Robrecht en Isidoor te zijn. In de boekenwereld is alles mogelijk.  ’t Heeft overigens erg lang geduurd vooraleer ik begrepen heb dat ik geen Isidoor ben en evenmin een Robrecht en dat het er mij niet alleen om te doen moet zijn mijn wereld al lezend te betreden, maar ook al schrijvend; een lang proces is dat geweest en ook dat proces zelf maakt inmiddels deel uit van een wereld die ik in mijn kindertijd begin te creëren en die ik vandaag nog altijd voort aan ‘t bouwen ben, maar inmiddels uiteraard wel in het besef dat de grote A.L. Snijders gelijk heeft wanneer hij zegt dat het allemaal troost is, dat het de wereld van de woorden is, dat het een wereld is die ik nodig heb om overeind te blijven in de echte wereld, maar dat de echte wereld onoverwinnelijk is.
Troostend mooi was ook de inmiddels verdwenen culturele gewoonte om op warme dagen te buurten.  Bij valavond zetten de mensen een stoeltje op de stoep. Daarmee deden ze niets anders dan wat ze de voorgaande avond ook al gedaan hadden, wat ze trouwens elke mooie avond deden en wat Victor Hugo honderd jaar eerder ook al placht te doen: C’est le moment crépusculaire, /
J’admire, assis sous un portail, / Ce reste de jour dont s’éclaire 
/ La dernière heure du travail.  Daarna, wanneer de duisternis intrad, trok iedereen zich in de eigen woning terug. Enkele tellen later werd het licht gedoofd. Het woord slaaptekort moest nog uitgevonden worden.
Ik zei het al, in die tijd bestond er geen televisie. Maar lang zou dat niet meer duren. We hadden die avond nog maar pas de stoelen binnen gezet of daar begon in het uitstalraam van elektricien Jean Demol een scherm te flikkeren. Het veroorzaakte de daaropvolgende dag een toeloop, want iedereen wilde dat geflikker persoonlijk aanschouwen en de veldwachter moest het volk in goede banen leiden.
Het was een kantelmoment. In die etalage stond een toestel dat ons leven zou omvergooien. Hadden we in de toekomst kunnen kijken dan zouden we gezien hebben dat niemand nog bij valavond een stoeltje op de stoep zou zetten, mannen zouden vanaf nu altijd met rooddoorlopen ogen op het werk toekomen, vrouwen zouden dikker worden en diep in onszelf zouden we behoeften ontdekken die we daar voorheen nooit vermoed hadden. Vanaf dat moment begon iedereen zich uit te sloven om overbodige producten in huis te halen. Waspoeders begonnen witter dan wit te wassen, tandpasta’s deden dat nog beter en hoe dikker de vrouwen werden, hoe lighter de producten. Compleet nutteloze waren zouden in de toekomst de etalages vullen: cola van het merk River, Calgon tegen onbestaande kalk in wasmachines, de Berend Boudewijn Kleurentelevisiestoel, Amerikaanse keukens, Japanse auto’s, Franse tralala van het merk l’Oréal, kleren van Armani en filtersigaretten. Sommige producten waren zelfs weerzinwekkend: pantykousen, visworst, tabak van het merk Clan, cola zonder coke, koffie zonder cafeïne, krabsla zonder krab, sigaretten van het merk Zemir… Allemaal producten die we nooit gewild zouden hebben ware er de televisie niet geweest.
Die omslag zou onverklaarbaar zijn, had de Franse denker André Gorz het ons niet uitgelegd. In 1954 las hij in een Amerikaans tijdschrift een interessant artikel. Daarin stelde een econoom dat er een consumptietoename van tenminste vijftig procent in de acht daaropvolgende jaren nodig was om de fabrieken draaiende te houden.  Helaas bleken de mensen niet in staat om aan te geven waaruit zo'n supplementaire consumptie dan wel zou moeten bestaan. Daarom moesten er reclame- en marketingexperts ingeschakeld worden om nieuwe behoeften, verlangens en fantasieën op te wekken. Het kapitalisme had behoefte aan mensen met grotere behoeften en die behoeften zouden ons aangepraat worden.
Scherp gezien van deze Gorz, maar zelfs hij wist niet dat daar, op die merkwaardige dag van mijn kindertijd, in de etalage van Jean Demol, het toestel stond te flikkeren dat die nieuwe behoeften, verlangens en fantasieën ook bij ons, Bredenaars, zou opwekken.
Een zee van antennes overspoelde al vlug de wijken, cinema’s moesten de deuren sluiten, kaartclubs werden ontbonden, de kerken liepen leeg, vrouwen trokken niet meer naar het hoedjesbal en buren ontmoetten elkaar alleenlijk nog aan de kassa van warenhuizen die te midden de velden gebouwd werden.
’t Is niet dat hij ervoor erkend is geworden, ’t is zelfs niet dat hij het zelf wist, maar onze plaatselijke elektricien Jean Demol stond wel degelijk mee aan de wieg van de consumptiemaatschappij. In zijn etalage stond de doos van Pandora te flikkeren en het bestaan van die doos bleek, zo weten we inmiddels, helemaal geen mythe te zijn.
Een reactie plaatsen