vrijdag 18 oktober 2013

Het Beleg van Oostende


Peter Snayers, Het Beleg van Oostende (schilderij ca. 1650).  Op de voorgrond zien we 
'De grote kat'. Op de achtergrond bevoorraden de geuzen de stad via de Oosteroever.
Wie de woorden beleg van Oostende leest, denkt wellicht aan ene met kaas en ene met hesp, en er is in Oostende inderdaad ook een broodjeszaak geweest die zo heette: Het beleg van Oostende. Maar Het Beleg (1601-1604) is uiteraard iets anders.
Wie wil weten wat het is, moet zich eerst over de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) buigen. Deze begon als opstand in een van de rijkste Europese gebieden, de Nederlanden, waartoe Vlaanderen behoorde. In 1576 sloten de 17 provincies van de Nederlanden zich aaneen tegen de Spaanse koning Filips II die er nochtans de erkende heerser van was. Die kon er niet om lachen en stuurde er zijn leger op af.
Zoals het ook vandaag in oorlogen het geval is, werd de vijandschap tussen de twee partijen godsdienstig gekleurd. Het heersende Spanje was katholiek, de opstandige Nederlanden protestants. De opstandelingen werden neerbuigend geuzen genoemd. Met de term werden aanvankelijk Nederlandse edelen aangeduid. Later verwees geuzen naar de strijders die te land (bosgeuzen) of te water (watergeuzen) de Spanjaarden bevochten. De opstandige steden in Vlaanderen werden al vlug door de Spanjaarden heroverd. Zo viel Antwerpen in 1585. Alleen Oostende hield stand.
De geuzen kwamen zich dan ook in Oostende verschansen. In minder dan tien jaar vormden ze de stad om tot een volledig ommuurde vesting met wallen en grachten. Na het weggraven van de duinen aan de oostkant (1584) brak de zee door en overstroomde de omgeving, daardoor ontstond omstreeks 1600 trouwens ook de huidige oostelijke havengeul.
De autochtone Oostendenaars hadden de bui al van ver zien aankomen en ze hadden hun biezen gepakt. ‘En waar schuilt die bedrijvige bevolking, visschers, weerden, reeders, schippers, handelaars en werklieden? (…) Waren er dan geene  inwoners tot na het beleg van te Oostende gebleven? Ja… één zegt de Bisschop van Brugge  (…) Twee zegt Fleming. De oorkonden onzer stad geven de namen van vier “oude poorters”, dat is van burgers die Oostende bewoond hadden vóór en zelfs in de troebelen (…)’ (1) Verder spreekt deze Oostendse historicus over acht Oostendse namen die hij weervindt in een lijst van 378 hoofdofficieren en kapiteins die aan de verdediging deelnamen. (2)
In juli 1601 namen de Spaanse en Italiaanse legers hun posities in rond de stad waarbij ze vooral de oude westelijke haveningang viseerden. Maar ook aan de oostzijde bevonden zich troepen. Deze probeerden te verhinderen dat Hollandse en Engelse schepen Oostende bevoorraadden.
Op 6 juli losten de belegeraars de eerste schoten. Dagenlang werd Oostende onder vuur genomen. Volgens ooggetuigen vielen in die eerste week 500 doden en 300 gewonden. De stad hield stand. Voortaan zouden week na week tientallen schepen uit Holland en Engeland Oostende binnenvaren met wapens, materiaal, medicijnen, levensmiddelen, wijn, bier en brandstof.
De oostelijke duinen waren, zoals gezegd, al in 1584 geslecht, maar in 1601 gebeurde dat ook met de westelijke. Oostende was bij hoogwater een eiland geworden. 
Op 7 januari 1602, na 12 uur vechten, vielen de Spanjaarden met 6000 man de stad bij laag water aan vier kanten aan. Toen de geuzen de Westsluis openden liep het water van de stadsgrachten in zee: honderden Spanjaarden verdronken. De Spaanse verliezen waren enorm : zij moesten 2500 man begraven, terwijl de geuzen in hun rangen amper 60 slachtoffers telden.
Het kamp van de geuzen bestond, zoals gezegd, uit maar weinig Oostendenaars, want de meesten waren begrijpelijkerwijze al voor de gevechten vertrokken. Oostende was een garnizoensstad geworden waar burgers nauwelijks plaats hadden. Bij de aanvang van het Beleg bevond er zich een garnizoen van 4.500 man: één derde Nederlanders, één derde Engelsen, één derde Duitsers en Fransen (protestantse edellieden). Regelmatig werden er nieuwe troepen aangevoerd.
Alhoewel de stad voortdurend over zee werd bevoorraad, braken er talloze ziekten uit — scheurbuik, koorts… — door het gebrek aan water en door de talloze lijken die nauwelijks begraven konden worden. Vanaf mei 1602 kostte de pest dagelijks aan 60 tot 80 mensen het leven.
De situatie bij de belegeraars was al even slecht. De omgeving van de stad was moerassig. De soldaten kregen hun soldij vaak niet tijdig uitbetaald waardoor er onlusten uitbraken. Maar ook zij bleven uiteraard niet stilzitten, ze bouwden begin 1602 de ‘grote kat’, een monumentaal bouwwerk van 40 meter hoog, ten westen van de stad, dat de belegeraars moest toelaten om de stad vanuit de hoogte te bestoken. De belegerden van hun kant probeerden vanaf juli 1603 die ‘grote kat’ in brand te schieten. Dat zou hen in augustus ook lukken.
Zo kon het niet blijven duren. Albrecht ging aankloppen bij Ambrogio Spinola, een steenrijke Italiaan. In ruil voor geld bood Albrecht hem het opperbevel aan. Spinola aanvaardde in september 1603.
Spinola, die in Oostende nog altijd bekend is vanwege de Spinoladijk aan de Oosteroever, was een uitstekend strateeg. Maar hij werd ook geholpen door de natuur. In maart 1604 bracht een zware storm de stad zeer veel schade toe. De zee die de ‘Oostendenaars’ eerder als bondgenoot hadden gebruikt, had zich nu tegen hen gekeerd… Tijdgenoten verwachtten overigens dat nog zo'n storm de stad helemaal zou overspoelen. Tot overmaat van ramp kwamen de beloofde troepen uit het noorden maar niet opdagen. Uiteindelijk, in september 1604, werd de situatie onhoudbaar. De geuzen zagen in dat het einde nabij was en beslisten te onderhandelen.  Ze slaagden erin om voor de overgebleven 4.500 man een eervolle vrije aftocht te verkrijgen. Op 22 september 1604 verlieten de Nederlanders, de Engelsen en de weinige overgebleven Oostendenaars met opgeheven hoofd de stad en scheepten in richting Zeeland. 's Avonds nodigde Spinola de overwonnen officieren zelfs uit op een banket.
Oostende was compleet verwoest en moest helemaal heropgebouwd worden. Men raamt het verlies aan mensenlevens op 45.000 aan de kant van de Spaanse belegeraars en hun bondgenoten en 52.000 aan de kant van de belegerden. Na jaren rebellie kwam Oostende, net als de rest van Vlaanderen, in het katholieke kamp terecht.
Het Beleg van Oostende is een belangrijke episode in de geschiedenis. Professor Georges Allaert vindt het zelfs ‘onbegrijpelijk dat het Beleg van Oostende in het geschiedenisonderwijs meestal niet eens vermeld wordt. Nochtans betekende de inname van de stad door het Spaanse leger de definitieve scheiding van de Nederlanden.’ (3)
Flor Vandekerckhove

(2) Edward Vlietinck, Het oude Oostende en zijne driejarige belegering (1601-1604). Oostende, 1897. Anastatische herdruk, Vlaamse Vereniging voor Familiekunde, afdeling Oostende vzw, Oostende 1975. p.310.
(3) Georges Allaert, Oostende, De miskende haven. Gent Academia Press, 2013. p.171.
Een reactie plaatsen