zondag 27 oktober 2013

Meneer Gillot, Anto Diez en De Werker


De winkel van Gillot bevond zich in de Peter Benoitlaan. Op de foto
helemaal rechts. In de vitrine zie je de schilderijen staan.
In het midden van de vorige eeuw had meneer Gillot een winkel in Bredene. Hij verkocht er kachels en schilderijen, voorwaar een merkwaardige combinatie. De kachels kwamen uit de fabriek, de schilderijen maakte meneer Gillot zelf.  Hij was een artiste peintre, want hij sprak uitsluitend Frans.
De Gillots waren kennissen van mijn ouders en ik werd regelmatig ingeschakeld om die mensen ter wille te zijn. Ik kwam daar over de vloer, maar die vloer bleef voor mij wel beperkt tot de winkel en de gang. Meneer Gillot hield zich op een afstand die bewaakt werd door zijn echtgenote. 
Vanuit die gang kon ik heimelijk in het schildersatelier gluren: uitgeknepen verftubes, schildersezel, zelfportret, besmeurde werkschort, de geur van terpentijn… Ik was telkens zeer onder de indruk.
In afwachting dat meneer Gillot me zou uitnodigen om zijn leerling te worden, bekwaamde ik me in het naschilderen van een aquarel die hij mijn ouders geschonken had: een bruggetje over de Brugse reien. Uiteraard. Het is er echter niet van gekomen, meneer Gillot heeft mij nooit gevraagd om zijn leerling te worden.
Anto Diez (1914-1992)
Omdat hij de enige artiste peintre was die ik kende, besloot ik het verder zonder leermeester te doen. Moeilijk kon het niet zijn, want het naschilderen van dat bruggetje lukte al aardig. En er was de snel naderende tijdgeest van de sixties: creativiteit was alles, vakmanschap was niets.
Met zo’n zever moest je bij Anto Diez niet afkomen. Hij was de tweede kunstschilder die ik leerde kennen.  Hij kwam in 1961 in Bredene wonen, en niet om er kachels te verkopen. De zondagschilderende meneer Gillot verdween uit beeld en dat werd nu bezet door Anto Diez, een late vertegenwoordiger van het Vlaams expressionisme, een mens van grote gebaren, zowel op doek als in het leven.
Ook daar kwam ik over de vloer. In tegenstelling tot meneer Gillot sprak Anto Diez wel met me. Nadat ik, ongehinderd door enige kennis, zijn werk met dat van Permeke vergeleken had, wees hij me op de vormverschillen en toonde hij me hoe zijn kleurenpalet danig van dat van Permeke verschilde. Terwijl zijn echtgenote Aimée Thonon een streepje muziek op de piano uitprobeerde, veegde hij de vloer aan met het soort creativiteit dat mijns inziens vakmanschap overbodig maakte. Hij kon me niet overtuigen, want hij was oud en ik was jong.
Ik vond een bondgenoot in mijn maat JP. In het jeugdclubblaadje ’t Korreltje had hij een vlammend stuk geschreven tegen de politicus Joseph Luns die abstracte schilderijen geen kunst vond zijn. Omdat diezelfde jeugdclub rond die tijd een popartwedstrijd inrichtte, besloten we onze kunstopvattingen in daden om te zetten. We maakten een werk dat we na afloop De Werker doopten. Die werker had vorm gekregen door toepassing van, laat ons zeggen, gemengde technieken: een ouwe plastron, een kapotte laars, enig oud-ijzer… We hadden verf gebruikt, maar ook de door ons leeggemaakte verfpot had een plek op het tableau gekregen. Popart dus. En mijn vader was blij dat al die rommel van het erf weg was.
Wellicht doordat er niet erg veel deelnemers waren, wonnen we de wedstrijd. Waardoor ik mijn vooroordeel bevestigd zag: creativiteit is alles, vakmanschap is niets. Bovendien bleek De Werker een commercieel succes te zijn.  Het werk werd gekocht door Daniël C. die het in zijn slaapkamer aanbracht. Niet voor lang echter, want toen er een spin uit de verfpot gekropen kwam, eiste zijn moeder dat De Werker naar de schroothoop verwezen werd. Waar het werk dezelfde middag ook terechtkwam. Waardoor het ook niet vernoemd staat in Van Altamira tot heden, een boek dat nochtans heel de kunstgeschiedenis zegt te beslaan. Quod non!
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten