zondag 26 oktober 2014

Waarom Bredene geen zeedijk heeft

Mooie duinen, maar geen zeedijk in Bredene. 
Zit koning Leopold II er voor iets tussen?
In de jongste editie van het onvolprezen kwartaaltijdschrift Brood & Rozen staat een stuk dat geschreven werd door Marc Constandt, conservator voor de gemeentelijke musea van Middelkerke. (*) Hij heeft het daarin over de impact van de auto op het kusttoerisme, invloed die uiteraard groot geweest is.
De aanwezigheid van de auto is al vlug voelbaar in Oostende, toentertijd de meest mondaine badplaats. Rally's (1899, Parijs-Oostende) en snelheidswedstrijden promoten het nieuwe vervoermiddel dat uiteraard gekocht wordt door de rijken, maar waaraan ook jan met de pet zich graag vergaapt. De auto opent een zee aan mogelijkheden en het kusttoerisme zal er zijn deel van opeisen. Politici spannen zich hard in om een wegennet te creëren dat de auto eer aandoet en hotels beginnen garages te voorzien. Architecten beseffen dat de auto een plaats nabij de woonst moet krijgen. Nieuwe beroepen zien het licht: automecanicien, garagist, pomphouder, chauffeur.
In die ontwikkelingen speelt, voor wat de kust betreft, de Koninklijke Baan een grote rol. ‘Deze nieuwe weg was moderner dan de klassieke steenwegen, waarvan de kasseien niet bepaald comfortabel waren. Hij dankt zijn bestaan aan koning Leopold II. Die was zelf een liefhebber van auto’s en ondervond dus aan den lijve wat de slechte staat van de wegen betekende.’ Het is van meet af aan de bedoeling om heel de kust, van Knokke tot De Panne, voor het nieuwe voertuig te ontsluiten, maar dat gebeurt niet in één ruk. In 1903-1904 wordt het eerste stuk aangelegd en dat verbindt Oostende met De Haan. In 1911 wordt Oostende koninklijk met Middelkerke verbonden. Tegen de tijd dat WO I uitbreekt ligt er al een Koninklijke Baan van Westende tot in Blankenberge. Je moet tot In 1933 wachten om via die weg van De Panne tot in Knokke te kunnen rijden.
Constandt wijdt in zijn studie ook een paragraaf aan Bredene. Nadat hij het over dat eerste stuk Koninklijke Baan, van Oostende tot De Haan, gehad heeft, schrijft hij: ‘De aanleg had echter het ongeplande gevolg dat ook Bredene toeristische ambities begon te ontwikkelen, eigenlijk zwaar tegen de zin in van de koning, die daar een te nabije concurrent voor Oostende in zag.’ En daarna formuleert hij de voor mij meest intrigerende zin uit zijn verhaal: ‘Waarschijnlijk kreeg Bredene daarom geen zeedijk van de overheid.’
Ik denk niet dat ze in Bredene zo’n zeedijk missen, maar de passage roept wel vragen op, zoals deze: wat betekent het woord ‘waarschijnlijk’ in voorgaande zin? Bestaan er aanwijzingen dat die dijk daar ooit overwogen werd? Zijn er historische bronnen bekend die het over zo’n potentiële zeedijk in Bredene hebben? Bestaat er een citaat van Leopold II waarin hij zich negatief over die vermeende Bredense concurrentie uitspreekt? Met andere woorden: baseert Constandt zich op historische bronnen of is 's mans bewering een soort veredelde cafépraat? En ten slotte is er nog deze vraag: is het niet de taak van de plaatselijke heemkundigen om onwetenden zoals ik daarover te instrueren? ’t Wordt tijd dat ik me weer eens naar heemhuis Turkeyenhof begeef. (**)
Flor Vandekerckhove

(*) Marc Constandt. Met de automobiel naar zee. De impact van een nieuw vervoermiddel op de Belgische kust (1900-1940). In Brood & Rozen, Tijdschrift voor de geschiedenis van de sociale bewegingen. 2014/3. Ps 42-51. Meer info op http://www.broodenrozen.be
(**) Dat is intussen niet echt meer nodig, want architect Erwin Mahieu leerde me intussen al meer over de prangende kwestie van de afwezigheid van een zeedijk in Bredene. U vindt zijn informatie onder de opmerkingen. Klik hieronder ' 1 opmerking' aan.

1 opmerking:

Flor Vandekerckhove zei

Van architect Erwin Mahieu ontving ik volgende verheldering: 'Waarom Bredene geen zeedijk heeft? Dat heeft wel een paar oorzaken! Er was vooreerst geen behoeft aan, want Bredene-aan- zee was (vóór de aanleg van de tramlijn) nauwelijks voor een toerist bereikbaar… dus niet interessant! Er was ook nauwelijks bebouwing en bewoning! Anders dan in Oostende en Blankenberge, waar belangrijke woonkernen tegen de sinds de middeleeuwen achteruitwijkende kustlijn lagen. De duinen boden in Blankenberge nauwelijks bescherming en een dijk(versterking) was daar dan ook meer dan nodig! De Duinen in Bredene, Klemskerke, Vlissegem (met achterliggende oude duinen) waren echter breed en hoog genoeg om de agressieve zee te weerstaan.
In 1888 kreeg landschapsarchitect Louis Van der Swaelmen opdracht om de duinen tussen Oostende en Blankenberge te bebossen. Een kustroute zou Oostende en Blankenberge verbinden. Langs deze slingerende kustbaan zouden dan modelverkavelingen, villa’s en hotels gebouwd worden. Deze ideeën pasten in de nieuwe, moderne opvattingen bij het ontwerpen van een ‘parkway’. Het idee werd niet evenwel tot uitvoering gebracht. Alhoewel! De Duitse architect en urbanist J. Stübben heeft er rond de eeuwwisseling toch elementen van gebruikt toen hij onze kustlijn mocht ‘mooier’ mocht maken! De vier basisprincipes die Stübben bij het ontwerpen gebruikte: 1. het bewaren van de duinen; 2. het vermijden van rechte straten; 3. aandacht voor ruimte in de badstad; 4. geïsoleerde gebouwen met een tuin om tot een tuin-badplaats te komen. De tijd van de ‘zeedijken’ was voorbij toen Bredene-aan-zee zich begon te ontwikkelen.'