vrijdag 3 oktober 2014

De eenling van de Flandern (2)

(Foto © Jan Saudec)
De voorbereiding had vele maanden geduurd, maar was rimpelloos verlopen. Toen ik weer eens 'van corvee' geweest was, had ik de sleutel van het arsenaal in plasticine gedrukt en er een kopie van laten maken. Ik had een vluchtweg voorbereid. Vanuit het dakraam had ik een scherpe blik op de toegangspoort en een goed uitzicht over het binnenplein. Gisteren had ik in de stad, op de muren van de universiteitsbibliotheek, met kalk het teken aangebracht, waardoor de Flandern wist dat ik er klaar voor was.
Na de dagtaak was ik onopgemerkt naar de zolder getrokken. Daar had ik het raam geopend. Ik keek uit over het plein naar de toegangspoort waar de wacht zijn tijd stond te verdoen. De officier was nergens te zien, maar ik wist dat hij aan de toog met de barman aan ’t ouwehoeren was. Soldaat, officier, barman, ik… Voor de rest was de kazerne leeg. Door lege hangen wandelde ik naar het arsenaal, ontsloot de deur, nam het wapen en de munitie, stak alles in een draagtas en trok weer naar de zolder. Daar installeerde ik me in de positie die ik ingeoefend had. Ik nam een tafel, plaatste daar een zetel op en schoof die stelling tot onder het dakvenster. Ik bracht de munitie aan, legde het geweer op het kozijn, kroop op de tafel en ging zitten. Ik moest alleen maar wachten. 
Augustus liep naar zijn einde en er hing een loden hitte over de stad. De avond viel traag over het plein. Terwijl alle geluid dat nog van verre sprak verstierf, moest ik aan Willem Kloos denken. Langs het dakvenster vlood met ras gerucht een al te late vogel en daarna werd het stil. Om elf uur, 23.00 in militaire termen, gingen de lampen aan. Het plein baadde nu in 't licht dat, zo wist ik, tegen de vroege ochtend (04.00 in militaire termen) weer gedoofd zou worden. Maar voor het zover was, zou alles gebeurd zijn.
Ik had het doelwit maandenlang geobserveerd, ik kende haar gewoonten, ik kende haar bewegingen, ik kende elk plooitje van haar gezicht. Ik wist wanneer ze aan de poort zou bellen (tussen 00.00 en 01.00), ik wist dat ze het plein diagonaal zou kruisen en dat haar minnaar haar in de bar gewoontegetrouw zou opwachten. Ik wist dat hij daarmee niet alleen de grenzen van zijn huwelijk overschreed, maar ook die van het leger, want in die tijd waren vrouwen nog taboe in een kazerne. Ook zij speelde met vuur, want ze was de echtgenote van de generaal en ze deed het met een ondergeschikte van haar man, een kapitein.
Het doelwit was mooi, op het toppunt van haar kunnen, een en al zinnelijkheid. Terwijl ik haar in die zetel zat op te wachten, stelde ik me voor hoe ze op deze zwoele zomeravond naakt in haar kamer stond.  Ik keek toe hoe ze, loom van de hitte, haar bed opzocht en me daarbij haar mooie, volle billen toonde.  In gedachten zag ik vervolgens hoe ikzelf uit het duister trad, waar ik me eerst opgehouden had, en hoe ik, naakt, voorzichtig op haar kont kwam zitten; hoe mijn knieën zich links en rechts naast haar dijen schraagden, mijn pik rustend in haar bilnaad. De geur van bloesems vulde de kamer. Ik streelde haar langzaam en langdurig. In de hitte van de voortschrijdende nacht mengde de massageolie zich met ons vers zweet, terwijl ze weerloos onder me bleef liggen. Mijn handen maakten een reis over het landschap van haar lichaam. Eerst haar schouders, dan haar rug waarvan ik elk plekje streelde, vervolgens ging het traag maar onbeschaamd naar beneden waar ik haar kont opzocht. Terwijl de olie overdadig in haar bilnaad liep, maakte de lust zich van haar meester. Ik voelde hoe mijn pik tussen haar billen groeide en…
Ik schoot… Wakker. Over het plein verdreef de ochtendzon het duister. De officiersbar was gesloten, het koppel had de liefde bedreven, zij was weer bij haar kolonel, hij bij zijn thuiswerkende echtgenote. Ik had mijn kans verslapen. De soldaat zette de poort al open, ’t kon nu niet lang meer duren vooraleer de eerste militaire pennenlikkers het kazerneplein zouden oversteken. 
Ik sloot ik het raam, ontdeed het geweer van zijn munitie, streelde mijn stramme knoken en liep door de halfduistere kazernegangen tot aan het arsenaal waar ik het wapen weer mooi op ’t rek plaatste. Ik sloot de deur. Langs de achterkant verliet ik ongezien het gebouw. Ik liep de hoek om en langs de voorkant stapte ik het kazerneplein op om een nieuwe werkdag aan te vatten in dienst van ’t vaderland.
Flor Vandekerckhove

[Wie wil weten wat aan dit verhaal voorafgaat, kijkt naar het eerste deel ervan:  
http://florsnieuweblog.blogspot.be/2014_09_01_archive.html




Een reactie plaatsen