maandag 2 oktober 2017

De ontmoeting met Rolf

De tafel is groot en ik ben klein. Het is warm, het is zomer. Er is massaal veel volk naar de kust afgezakt, dit is het seizoen waarin het geld verdiend wordt. Ik voel de stress. Ik ben vijf.
Ik heb geen honger. De boterham blijft onaangetast liggen. Hij ligt daar al van in de vroege ochtend en hij ligt daar nog.
Vervolgens schrik ik van de stem van mijn moeder die me als straf naar de kelder stuurt. Ik vind dat onrechtvaardig, maar ze duldt geen tegenspraak. Ze duwt de boterham ruw in mijn hand en trekt de kelderdeur achter mij dicht. Ik ga op de bovenste trede van de houten trap zitten en gooi de boterham naar beneden. Daar, in het halfduister, wordt hij een witte vlek op de grauwe keldervloer. Ik ben moe.
Wakker word ik doordat mijn neus jeukt. Ik kijk naar een jongen die me met een pluimpje aan ‘t kietelen is. ‘Dag slaapkopje,’ zegt hij, ‘wat doe jij hier?’
‘Ik woon hier’, antwoord ik.
‘In een kelder?’ De jongen kijkt om zich heen. Het lijkt hem geen woonplaats te zijn. 'Hier is niet eens een WC', zegt hij.
Daarom zeg ik: ‘Ik woon ook in het huis dat erboven staat.’
De aanwezigheid van de jongen beangstigt me geenszins. ‘Hoe heet jij’, vraag ik,‘ waar woon jij, wat doe je hier?’
Ik heet Rolf’, zegt de jongen, ‘Rolf is het omgekeerde van Flor, en Ik kom je boterham opeten.’
Dat vind ik wel goed.
‘Ik woon in Eneder B, zegt Rolf nu,da’s het omgekeerde van Bredene en ik kom hier om samen met jou op avontuur te gaan.’ Hij lacht vrolijk en zegt: Kom, hop met de beentjes.’
Rolf en ik trekken de kelder in. Intussen leert hij me een lied waarvan hij zegt dat het onze hymne is: En we gon no ’t froent / achter perdestroent / En we gon der vele rapen.
Als we bij het keldergat aankomen, steekt Rolf zijn hoofd erdoor zodat hij de straat kan zien. ‘Voor mijn ogen’, zegt hij plechtig, ‘ontplooit zich de bovenwereld. No pasarán!’ Hij keert zich om, kijkt me aan en zegt bezwerend: ‘Dit is een toverspreuk: no pasarán!
Nu wordt het tijd om naar mijn uitgangspositie terug te keren. Rolf verdwijnt via ‘t keldergat en ik zit weer op de trap. Nog altijd zing ik luid van ‘t froent en perdestroent.
Met een ruk trekt moeder de kelderdeur open. Ze trilt. Met uitpuilende ogen kijkt ze naar het kind dat ze verwekt heeft. Ik staak mijn gezang, twijfel een ogenblik en zeg vol overtuiging: ‘No pasarán!

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten