vrijdag 21 september 2012

Het gezelschap van een man alleen


Achteraan in een hoek van de cafetaria, waar ik me altijd nestel omdat er weinig kans is dat ik daar lastig gevallen wordt, komt hij vlak voor me zitten. Hij schuift zijn dienblad tot tegen het mijne. Het is alsof hij daarmee op een bewust manier mijn terrein betreedt. Ik probeer niet op te kijken. Hij giet sprankelend water in zijn glas en begint warempel tegen me te spreken: ‘Je zult het zien,’ zegt hij, ‘ik zal net zo eindigen als mijn moeder, helemaal alleen.’
Deze man tutoyeert me.  Ik moet een lichte vorm van paniek onderdrukken. In mijn hoofd beginnen de vragen over elkaar heen te vallen. Kent die man me? Ken ik hem? Kent hij me goed? Ken ik hem vaag? Wat heb ik met die moeder te maken? Heb ik het wel goed begrepen? Zit hier iets achter? En hoe moet ik reageren?
Terwijl hij zijn servet ontrolt, probeer ik hem te negeren. Ik kijk om me heen, maar niemand kijkt terug. Dit is iets tussen hem en mij.
Wanneer de man opkijkt om na te gaan hoe ik op zijn woorden reageer, knik ik hem toe; een kort knikje, want ik wil hem niet aanvuren, maar ik wil evenmin onbeleefd zijn. En ik moet tijd zien te winnen, want misschien valt het me straks te binnen wie deze opdringerige medemens is.
Ik zie dat hij hetzelfde besteld heeft als ik: dagschotel, spuitwater, toetje. Hij moet er nog mee aanvangen, ik zit al aan het dessert. 
‘Het wordt almaar erger met me,’ vervolgt hij, ‘weet je wat ik nu meegemaakt heb?’  Neen, dat weet ik niet, maar ik weet wel dat hij het me zal vertellen. Ik schud heel lichtjes het hoofd en probeer me te concentreren op mijn mousse. ‘Voor ik hier naartoe kwam, ging ik tanken. Ik stond aan de pomp en naast me kwam een wagen toe waaruit een man stapte die me enthousiast groette. Zo van, godver, wie we hier zien?! Je weet wel, de groet van iemand die jou kent en die je al lang niet meer gezien hebt.’
Ik neem een slok en kijk nu vol aandacht naar de mens die me zo vrijmoedig toespreekt. Blauwe ogen, licht ingevallen wangen, de gezonde teint van iemand die aan sport doet, grote neus, grijzend dunner wordend haar, fijne lippen… Op een of andere manier komt hij me vertrouwd voor.
Hij steekt een aardappel in zijn mond en wijst dan met zijn vork omhoog om zijn woorden kracht bij te zetten: ‘Die mens aan de andere kant van de pomp scheen verwonderd en blij te zijn omdat hij me daar tegenover hem zag staan. Hij vroeg me wat ik daar deed. Ik antwoordde dat ik in de buurt werkte en dat ik daar altijd kwam tanken, en van de weeromstuit vroeg ik hem op mijn beurt wat hij daar aan die pomp kwam doen.’
Mijn ongenode gast hield even op om een stukje vol-au-vent weg te werken. Zelf schraapte ik mijn kommetje chocolademousse leeg. We veegden tegelijk onze mond schoon en hij vervolgde: ‘De man zei dat hij in de buurt moest zijn omdat hij een afspraak in de bank had. Er zat een zekere trots in de manier waarop hij dat zei, als wilde hij me zeggen dat hij goed terechtgekomen was, dat hij goed geboerd had. Hij reed met een Lada.’
Mijn tafelgenoot, die ik inmiddels nog altijd niet had weten thuis te brengen, maar die me een toch wel erg persoonlijk verhaal aan ’t vertellen was, schudde het hoofd: ‘Voor mij was het een nietszeggend gesprek, blablabla tussen twee mensen die elkaar misschien wel vaag kenden, maar ook niet meer dan dat, mensen die elkaar toevallig aan de pomp ontmoetten en daar oppervlakkigheden uitwisselden. Ik was hoe dan ook klaar met tanken, klikte de kraan weer vast, groette hem even vriendelijk als vluchtig en reed weg.’  Nog steeds had ik mijn ongenode disgenoot niet kunnen thuiswijzen, maar ik moet er wel aan toevoegen dat zijn stem me hoe langer hoe meer vertrouwd voorkwam.
Intussen was mijn toetje op. Ik wilde weg, want ik ben niet bepaald het type dat lange conversaties nastreeft. Bovendien vond ik dat de situatie hoe langer hoe meer onbehaaglijk werd.  Terwijl ik de rest van de prik opdronk, vroeg ik me af hoe ik op een beleefde manier de tafel zou kunnen verlaten.
Wellicht had mijn disgenoot dat voorvoeld, want hij haastte zich om zijn verhaal af te ronden. Hij sprak verder met volle mond: ‘Terwijl ik wegreed, keek ik in de achteruitkijkspiegel en zag ik hoe verweesd die man daar aan de pomp achterbleef.  Die mens was zichtbaar verbijsterd, zeg maar van de kaart. Hij bleef me nakijken, als kon hij mijn reactie niet begrijpen, reactie die hij duidelijk als meer dan onderkoeld ervaren had. En weet je wat?
Inmiddels was ik opgestaan en nu stond ik daar, recht aan de tafel, met het dienblad in mijn handen, klaar om het op het rek te zetten, maar in mijn aftocht belet door de vraag die hij stelde. Ik moest nu wachten tot wanneer hij zelf het antwoord gaf. Het kwam meteen. Hij sloeg zich tegen het hoofd en zei: ‘Tegelijk viel het mij te binnen wie de man aan de pomp was. Ooit was hij een huisgenoot geweest. Dat was iemand waarmee ik twee jaar op hetzelfde kot gezeten had. Twee jaar hadden we samen ontbeten, we hadden samen cursus gelopen, twee jaar hadden we wel en wee gedeeld. Hij was voor geen haar veranderd, zo zag ik in de spiegel, maar ik had hem aan de pomp niet herkend!’  De man zweeg. Hij leek wel uitgeput. Hij at niet meer. Hij schoof het dienblad voor zich uit en liet de rest van de vol-au-vent onaangeroerd. Hij keek me recht in de ogen als wilde hij zeggen: zie je nu welke mens ik ben, zie je nu waarom ik in eenzaamheid aan mijn einde zal komen, net zoals mijn moeder.
U zult zijn houding ongetwijfeld theatraal vinden en ik vermoed dat het u moeilijk valt om een verband te leggen tussen een eenzaam stervende moeder en ‘s mans even toevallige als mislukte ontmoeting met een oude bekende.  Vreemd is het dus dat ikzelf wel degelijk aanvoelde waarover hij het had. Dat was een gewaarwording die me ergerde. Ze versterkte het nare gevoel dat die man iets met mij te maken had. Het werd me te persoonlijk, ik moest echt maken dat ik wegkwam.
Dus glimlachte ik een beetje schaapachtig en knikte nog eens, om duidelijk te maken dat ik het begrepen had, dat ik met hem meevoelde en dat het leven rare dingen met ons doet. En zocht vervolgens vlug de plek op waar de vaat verzameld wordt. Ik kieperde een halve vol-au-vent in de vuilniszak en zette het dienblad op het rek.
Er zat nog veel volk te tafelen en er was volop geroezemoes. Al dat gewemel legde een deken van anonimiteit over me, waarvoor ik dankbaar was, want het gesprek had me danig benauwd, en ik wilde niets liever dan dat ik voor die man onzichtbaar werd. Ik liep in een grote boog om de plek heen waar ik gegeten had.  Ik duwde de cafetariadeur open, hoorde de straatgeluiden en voelde dat aan als een verlossing. In het deurgat keerde ik het hoofd om, keek naar binnen en vond achteraan in de cafetaria meteen de plek waar ik gegeten had. Daar zat niemand aan tafel. En aan die tafel stond één stoel.
Flor Vandekerckhove.
Een reactie plaatsen