donderdag 4 oktober 2012

Wat mijn broer uit Brugge me vertelt


Sloom en onoplettend loopt hij door Brugge, straat in straat uit, zonder dat hij een speciale bestemming heeft, kop in kas. Paardenkoetsen razen voorbij waarin toeristen de stad verkennen.  Het is hard aan ’t regenen en hij moet een beetje uitkijken waar hij stapt, want de straten zijn er nauw en de voetpaden slecht onderhouden.
Wat mijn broer me over de straten, stoepen en koetsen vertelt, klopt. Hij is een goed verteller en het is alsof ik erbij ben. Ik zie de kasseien blinken, hoor het geratel van de koetswielen en voel hoe de regen alles doorweekt; kleren, straten, gevels en vooral het gemoed.
In zo’n nauwe Brugse straat met zo’n slechte stoep botst hij opeens tegen iemand aan die erg gehaast is en daardoor evenmin als hij aandachtig is. Het is een harde klap waardoor mijn broer het evenwicht verliest en in de goot terechtkomt, uiteraard recht in een plas. Hij voelt een pijnscheut, verzwikt zijn enkel, kan zich niet staande houden en komt ten val.
Ja, dat kan ik me wel voorstellen, want zelf ben ik ook zo’n sufferd. Deze zomer heb ik al suffend een lantaarnpaal geramd. Wij hebben daar een zekere aanleg voor, wij komen uit een familie van sufferds.
Vanuit de goot kijkt hij omhoog naar de medemens die hem omvergelopen heeft. Die mens blijkt een mooie jonge vrouw te zijn die hem vanonder haar paraplu medelijdend aankijkt en hem, zoals dat in zo’n geval altijd gaat, de verkeerde vraag stelt: of hij zich bezeerd heeft.
Nu frons ik voor het eerst de wenkbrauwen, want ik kom niet alleen uit een nest van sufferds, maar ook uit een familie waar het de gewoonte is de gebeurtenissen te verbloemen. Wij worden niet zomaar omvergelopen zonder dat er een mooie vrouw aan te pas komt. Het is een trek die ik meteen herken, ook omdat ik er zelf niet van gespeend ben. Het is niet toevallig dat ik me onledig houd met het schrijven van verhalen. Mijn broer doet alsof hij mijn gefrons niet opmerkt en vertelt verder.
Mocht die mens een man van middelbare leeftijd geweest zijn, bijvoorbeeld zo’n doodgewone man met een confectiepakkie an, dan had mijn broer hem een verwensing toegesnauwd en alle hulp geweigerd, maar de persoon in kwestie is niets van dat alles, want het is een zij. Bovendien is zij van een schoonheid die je op de Brugse stoepen niet veel tegen het lijf loopt. (Zijn woorden.) En mijn broer antwoordt haar dat het niet erg is, dat het wel meevalt.  Dankbaar aanvaardt hij de mooi verzorgde hand die hem recht helpt. Terwijl zijn voet danig zwelt, stelt hij haar op zijn beurt de verkeerde vraag: of zij zich bezeerd heeft.  Neen, dat heeft ze niet, zegt ze, en ze helpt hem tot bij een raamkozijn waarop hij enigszins kan steunen. Daar staan ze dan, getweeën, de schone en het beest, op een slecht onderhouden stoep in een nauwe Brugse straat, terwijl de regen tegen de straatstenen knettert waarover koetsen rijden die de stad onveilig maken.
Hij toont me de mouw van zijn regenjas waaraan niets te zien is en stroopt zijn broekspijp op om me zijn enkel te tonen waar evenmin iets aan te zien valt. Logisch, zegt hij, want het heeft zich allemaal een maand eerder afgespeeld. Hij beweegt zijn voet over en weer om me te bewijzen dat alles weer naar behoren functioneert.
Allemaal goed en wel, maar hij heeft zijn voet daar in die straat wel degelijk verzwikt en stappen is welhaast uitgesloten. Dus biedt zij hem haar arm aan en zegt: ‘Ik woon hier vlakbij. Kom mee, ik zal kijken of we een dokter moeten bellen.’ Mijn broer zegt niet ja en niet neen, maar gaat al mankend mee met die mooie vrouw die hij van haar noch pluimen kent. Hij ruikt haar parfum, kijkt naar haar mooi verzorgde gelaat en voelt de warmte van haar arm die hem ondersteunt.
Zij woont in zo’n typisch Brugs bakstenen huisje dat heel oud lijkt, maar dat niet is. Achter het trapgeveltje komt hij terecht in een wereld van dure design. De vrouw helpt hem in een leren zetel, waarin ze eerst een handdoek gelegd heeft want zijn broek is kleddernat, ze bergt haar mantel op en zegt dat ze haar verbanddoos haalt. Hij kijkt haar na. Ze is van een schoonheid die hij nooit eerder heeft mogen zien, noch in Brugge noch elders. (Zijn woorden.)  
Dat is het moment waarop ik me ernstig begin af te vragen of ik er ook maar iets mag van geloven, want mijn broer is niet alleen iemand die de werkelijkheid verbloemt, hij is ook een regelrechte leugenaar, eveneens zoals de rest van mijn familie. Het zit in onze genen. Zelf kan ik mijn leugens in verhalen kanaliseren, maar de rest van mijn familie is niet zo creatief als ik, daar gaat men gewoon al liegend door het leven. Commerçanten! Ik zou je daar veel verhalen over kunnen vertellen, maar ik wacht ermee tot ze allemaal dood zijn.
De vrouw die van een schoonheid is die hij nooit eerder gezien heeft, komt terug met een doos waarop een groot rood kruis staat, en gaat vervolgens een teil warm water halen. Ze gaat op haar knieën voor hem zitten, maakt de veters van zijn schoen los, wrikt die schoen zachtjes van zijn voet, stroopt zijn kous af, waarbij hij als gebiologeerd naar haar roodgelakte nagels blijft kijken, en legt zijn voet tussen haar dijen.  Ze vraagt nogmaals of hij zich bezeerd heeft. ‘’t Gaat, liegt hij, ‘’t gaat.’ Zijn voet is rood en gezwollen.  Ze plaatst die voet in de teil warm water en wrijft zachtjes over de zwelling. Nooit eerder heeft mijn broer zo’n zachte handen een van zijn zwellingen weten strelen. (Zijn woorden.)  Dit is voorwaar zijn eigen voetwassingsmoment. Ik wil cynisch vragen of dit als 't ware bij toeval op Witte Donderdag gebeurd is, maar hij laat zich niet onderbreken. 
Hij kijkt om zich heen en aan de muur ziet hij een ingekaderde affiche van H&M hangen, waarop een model een blouse aanprijst. Het duurt enkele seconden vooraleer hij zich realiseert dat de vrouw op de affiche dezelfde is als degene die zijn voet masseert. Hij vraagt: ‘Ben jij dat?’ En zij antwoordt zonder op te kijken: ‘Op die affiche? Ja, dat ben ik.’ Alsof het niets is.
Nu gaat mijn broer echt te ver, hij overdrijft in de overtreffende trap. Ik ken hem al veel te lang om in zijn al te grove leugens te trappen. ‘Ja,’ zeg ik, ‘alsof ik je niet ken. Als ik deze niet geloof dan vertel je me wel een andere.’ Hij lacht en schudt het hoofd: ‘Neen neen, ik zweer het. En ’t is nog niet gedaan.’
Hij begint de affiche van H&M tot in de details te beschrijven: de blouse, de prijs, het lettertype, het fotomodel, vooral het model. Hij vraagt me of ik weet dat H&M de tactiek heeft om in elk land plaatselijke modellen op de affiche te zetten. Neen, dat weet ik niet. Om de verkoop te bevorderen, zo voegt hij eraan toe. Dat heeft die mooie vrouw hem geleerd die zijn voeten aan ’t masseren is terwijl ze hem inleidt in de zeden en gewoonten van de reclamewereld.
'Hij vraagt: "Ben jij dat?"
En zij antwoordt zonder op te kijken: 

"Op die affiche? Ja, dat ben ik."  Alsof het niets is.'
Om een lang verhaal kort te maken… Nog dezelfde dag belanden mijn broer en die vrouw in bed. Dat zijn broek kleddernat is, kan daarbij geholpen hebben, maar daar gaat het niet om. Hij beleeft er seks van een niveau dat in Brugge maar zelden voorkomt. (Zijn woorden.) Meer zelfs, er komt een relatie uit voort. Mijn broer mag om de twee dagen bij haar langslopen, eerst mankend, later huppelend, en telkens is er tussen die beeldmooie vrouw en mijn lelijke broer weer stomende seks. Hij mag zich de schandknaap — zijn woorden! —  noemen van een fotomodel, een mannequin van zo’n hoog niveau dat ze door een wereldmerk gevraagd wordt om blouses aan te prijzen.
Nu geloof ik er echt niets meer van. ‘En,’ vraag ik, ‘waar kan ik dat fameuze fotomodel van je eens zien?’ Hij lacht. ‘Nergens,’ antwoordt hij, ‘De modewereld is erg volatiel.  Dat is voorbij. H&M heeft alweer nieuwe modellen.’ 
Zijn antwoord verbijstert me, want dat is niet wat ik wil weten. Ik krijg de tijd niet om de vraag opnieuw te stellen. Hij moet ervandoor, want eens het verhaal verteld is, wordt ook mijn broer erg volatiel. Ik blijf perplex achter. Eens te meer is hij erin geslaagd me op het verkeerde been te zetten.
Het is zoals ik 't zeg. Ik kom uit een familie van leugenaars en fantasten. Bij ons moet je bijzonder oplettend zijn, want de grens tussen werkelijkheid en verbeelding wordt al te gemakkelijk overschreden. Al wat mijn broer me verteld heeft is imaginatie en niets anders. Mijn broer in Brugge? Ik heb niet eens een broer. Wat zou die in Brugge lopen doen, in de regen nog wel?
Flor Vandekerckhove

Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt elders in de blog nog soortgelijke verhalen.
Een reactie plaatsen