zondag 9 juni 2013

De roemloze levens van Pierre Michon


Pierre Michon
‘(…) zo meteen komen ze binnen, zo meteen bestaan en lachen ze, ze houden hun adem in en volgen bevend elke zin want aan het eind daarvan is hun lichaam misschien, maar zelfs nu zijn hun vleugels te licht, ze schrikken van een log bijvoeglijk naamwoord, ze voelen zich door een hortend ritme verraden, verslagen vallen ze eindeloos neer en dan zijn ze nergens meer, hun gestuite herrijzenis doodt hen altijd en eeuwig, ze treuren en verdwijnen onder de grond, andermaal zijn ze minder dan dingen, niets.
Moge een trefzekere stijl hun val hebben vertraagd, waardoor de mijne misschien ook trager is; moge mijn hand hun hebben vergund, hoe vluchtig ook, in de lucht een gedaante aan te nemen, louter opgeroepen door de spanning in mij; mogen ze, door mij te vellen, hebben geleefd, hoger en lichter dan wij leven, zij die zo weinig waren en weer zo weinig zullen zijn. En mogen ze misschien, wonderlijk genoeg, verschijningen zijn geworden. Er is niets waar ik zo dol op ben als op een wonder.
Maar heeft dit alles wel plaatsgehad?’
(…)
‘Toch heb ik, terwijl ik naar hen op zoek was, terwijl ik met hen in gesprek was in een allesbehalve woordloze stilte, vreugde gekend, en mogelijk kenden zij die ook; vaak werd ik zelf bijna geboren in hun mislukte wedergeboorte, en altijd stierf ik bijna met hen; ik zou hebben willen schrijven vanuit dat duizelingwekkende ogenblik, vanuit die bevende verwachting, verrukking of niet te bevatten verschrikking, schrijven zoals een sprakeloos kind sterft en oplost in de zomer — in een grote, amper zegbare ontroering. Er is geen macht die kan beslissen dat ik daar hoegenaamd niet in ben geslaagd. (…)’

Soms valt er niets aan toe te voegen.  Dat gevoel overrompelt me meermaals terwijl ik Roemloze levens van Pierre Michon aan ’t lezen ben.  En dan, helemaal op ’t einde, staan daar ook nog eens de hierboven geciteerde zinnen die, beter dan wat ook, uitleggen waarom het schrijven aan de alchemie verwant is.  Ik, krabbelaar, kan alleen maar nederig het hoofd buigen en constateren dat Pierre Michon tot de allergrootsten behoort.

Pierre Michon, Roemloze levens. 2001. Uitg. G.A. van Oorschot, A'dam. Oorspronkelijke titel Vies minuscules. 1984.
[Wie op onderstaande labels op 'leesnotities' drukt, vindt elders in de blog nog soortgelijke stukken.]
Een reactie plaatsen