woensdag 19 juni 2013

Work in Progress (XIV)


[Op mijn vierenzestigste verjaardag begon ik een autobiografie te schrijven, of toch een min of meer verbeelde variante op het genre. Ik hoopte een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik in deze blog een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]
XIV.
Buiten, op het neergelaten rolluik, wordt een kruisbeeld aangebracht. Telkens ik het huis passeer moet ik het kruisteken maken. Dat huis staat aan de overkant van de straat, schuin tegenover het onze, en wordt bewoond door voerman Raymond Vansieleghem en zijn echtgenote bobonne.  Werd bewoond, want op deze zomerse dag in 1955 is Raymond schielijk overleden.
Ik herinner me de overledene. Ik herinner me ook de dag van zijn overlijden, een zonnige weekdag; Raymond is tijdens het werk, in zijn vrachtwagen, gestorven.  De auto, die onbeheerd is achtergebleven, wordt door zijn zoon Robert naar huis gehaald. Ik zie hoe die zoon er nog diezelfde dag traag mee voorbijrijdt. Robert ziet er geslagen uit, getekend door het onverwachte verlies. Iedereen staat buiten op de stoep sprakeloos toe te kijken.  We volgen met onze blik stilzwijgend de vrachtwagen die de parkeerplaats oprijdt. Ik begrijp dat er iets onomkeerbaars gebeurd is. Raymond die er in mijn perceptie altijd geweest is zal er opeens niet meer zijn, nooit meer, een begrip dat moeilijk te vatten is.
’s Anderendaags gaat mijn moeder de overledene de laatste eer bewijzen. Ik steek mee de straat over, moet in het huis in de gang blijven wachten terwijl mijn moeder en bobonne zich afzonderen, maar ik vang toch een glimp op van de dode Raymond die in de verduisterde voorplaats opgebaard ligt. Het is voor het eerst dat ik een dode mens zie, maar ik ben vooral onder de indruk van de zwarte baldakijn waarmee de rouwkamer ingericht werd en die benadrukt dat wat hier plaatsgrijpt een pikzwart drama is. (Bobonne zal de rest van haar leven in 't zwart gekleed gaan.)
Het is een klap waar we allemaal in delen, want er bestaat een verwantschap tussen mijn familie en de overleden Raymond. Hij is de schoonvader van tante Alice, mijn vaders zuster die met Robert — nonkel Robert — getrouwd is, een zoon van bobonne en Raymond. Bovendien bestaat er in die dagen maar een dunne scheidingslijn tussen nauwe en verre familie, tussen familie en buren ook. Er heerst een hechte gemeenschap in dat stukje straat waar mijn ouders zich in de onmiddellijke nabijheid van mijn grootouders, ooms en tantes gevestigd hebben; waar de buren kameraden van elkaar zijn en in veel gevallen ook bij elkaar over de vloer komen.
Zo’n kameraden waren Raymond en mijn vaders vader, Edmond, mijn dooppeter. Veel later krijg ik van een nicht een foto toegestuurd waarop die twee staan, de armen manhaftig gekruist, samen met nog andere jongemannen, allen klaar om naar Frankrijk te trekken, om daar te participeren aan de bietenoogst.
Het begrip privacy moet in die tijd nog uitgevonden worden.  Het huis van mijn grootouders Zoë en Edmond doet dienst als sluipweg. Alle kinderen die in dat deel van de straat wonen, gebruiken het om naar de wijk erachter te trekken, waar hun school ligt, die anders alleen via een omweg te bereiken is. Wanneer de stapelplaats openstaat dan wordt die daarvoor gebruikt; is die gesloten dan gaan die kinderen door de winkel, vervolgens door de keuken en uiteindelijk via de veranda van die mensen naar de school. ’s Avonds wordt die weg omgekeerd afgelegd.
Onlangs vernam ik van zo’n ouwe schoolkameraad dat ook hij van die sluipweg gebruikt maakte, maar niet zonder tolgeld te betalen. Wie er passeerde moest tegelijk iets kopen in de winkel. Hij kocht telkens een appel, zijn dagelijkse stuk fruit. 
’t Waren dan ook harde tijden.  Grootmoeder Zoë heerste krachtdadig over het huishouden en over de winkel, maar de stapelplaats was het terrein van grootvader Edmond. Hij bracht er veel van zijn tijd door omdat hij daar groenten schoonmaakte en fruit trieerde, en ook wel omdat die stapelplaats voor hem eveneens een sluipweg was, maar dan naar het café van Alida.
In die stapelplaats hing een menggeur van overrijp fruit, groenteafval en kak. Die merkwaardige mix werd deels veroorzaakt door de waren die er lagen, maar er was ook een wc: houten plank met uitgezaagde opening, grote spinnen onder het deksel, geen water, krantenpapier om je kont schoon te vegen. Daar kwam een beerputgeur vandaan.  Mede omdat die stapelplaats een tochtgat was, mengen al die geuren zich tot iets wat geen naam heeft, maar desondanks niet al te onaangenaam rook.
We ontmoetten elkaar daar vaak, mijn grootvader en ik, hij op de terugweg van Alida, ik op de terugweg van de school. Daardoor komt het dat hij voor mij met die onnoembare stapelplaatsreuk verbonden blijft. Wanneer ik aan mijn overleden peter denk dan herinner ik me de aparte geur van die stapelplaats.
Ik zag mijn peter graag. Wanneer hij in 1960 stierf, huilde ik tranen met tuiten en kort daarna zorgde ik er persoonlijk voor dat hij in de hemel terechtkwam.  Dat laatste vraagt uiteraard om enige uitleg.
Hoe het er nu aan toegaat weet ik niet, maar in die tijd kwam de ziel van de mens na de dood in de hemel terecht, in de hel of in het vagevuur. Dat mijn peters ziel in de hel terechtgekomen zou zijn, was onaannemelijk. Een rechtstreekse tocht naar de hemel was eveneens uitgesloten, want daarvoor had zijn lichaam al te veel gebruik gemaakt van de sluipweg die naar Alida’s café leidde. Pekelzonden waren dat, maar dan toch van het soort dat per vergrijp pakweg 150 jaar vagevuur opleverde. Tien keer was al goed voor 1.500 jaar, en stel dat hij dat sluipwegverkeer twintig jaar volgehouden had (een onderschatting) dan kwam hij aan 30.000 jaar vagevuur.  In het licht van de eeuwigheid was dat weliswaar een peulenschil, maar ik mocht er niet aan denken dat zijn ziel het daar zolang zou moeten uitzweten.
Gelukkig bestond er ook een sluipweg uit het vagevuur. Er was één dag in ’t jaar dat er volle aflaten te verdienen waren. Ik denk dat het op Witte Donderdag was, maar zeker weet ik dat niet meer. Met zo’n volle aflaat kon je iemand uit het vagevuur weghalen. De manier om dat te doen was poepsimpel. Je verliet de kerk, ging er vervolgens weer naar binnen, sloeg daar een kruisteken, zegde een Onzevader op, gevolgd door een Weesgegroet, dacht bij dat alles aan de ziel die je uit ’t vuur wilde redden en klaar was kees. Volledigheidshalve moet ik er aan toevoegen dat dit alleenlijk lukte als je vooraf te biecht geweest was.
Bovenstaande herinneringen deel ik wel met veel generatiegenoten, zo leert me een rondvraag, maar we geraken het niet eens over de dagen waarop deze aflaat te verdienen viel en evenmin over het soort gebeden, en het aantal, dat deze aflaat regelde. De meest betrouwbare bron weet me te melden dat er voor deze praktijk zelfs een Oostends woord bestaat, persjoenkelen; dat het op Allerheiligen of Allerzielen doorging en dat je zes Onzevaders, zes Weesgegroeten en zes Glorie zij de vaders moest bidden om succes te hebben.
Ik had dat in elk geval allemaal volgens de regels van ’t spel gedaan en daarmee mijn peter dertigduizend jaar vagevuur bespaard. In 1960 stierf hij en in 1961 kwam hij al in de hemel terecht; niet slecht voor een sluipweggebruiker.
Al de mensen in dat stukje straat dragen hun eigen geschiedenis met zich mee, hij eigen drama’s, hun eigen kommer en kwel.  In het huis links van Raymond en bobonne wonen de Vanblaeres met hun kleindochter Mireille. Het meisje, dat enkele jaren ouder is dan ik, is een weeskind. Een foto uit het familiealbum leert me dat ik nog met Mireille gespeeld heb, maar daar herinner ik me niets van.
Die Vanblaeres verkochten eerder de garage Achille aan Robert Vansieleghem, die hem sindsdien uitbaatte. Die onderneming bevond zich naast het huis van Zoë en Edmond en was genoemd naar Achille Goethals die er, vóór de Tweede Wereldoorlog, de eerste eigenaar van geweest was. De mens ging aan zijn ondernemingsdrift failliet en het gebouw werd aangekocht door de familie Vanblaere.
Henri Vanblaere zou de garage verder uitbaten tot hij in 1942 door de Duitse bezetter naar het concentratiekamp Gros Rosen weggevoerd werd waar hij als politieke gevangene op 11 december 1944 aan zijn einde zou komen.
Henri liet een echtgenote na en twee dochters. Een ervan, Aline, stierf bitterjong en ook zijn echtgenote leefde niet lang. De andere dochter, Mireille, werd verder opgevoed door de grootouders.
De Vanblaeres waren in die straat de eersten die een televisie in huis hadden en wij, straatlopers, verdrongen ons ’s avonds voor het raam om mee te kijken naar de bewegende beelden. Grootvader Vanblaere was beide benen afgezet, wellicht door suikerziekte. De mens jaagde ons daardoor een beetje schrik aan. Van zodra hij zijn kar in beweging zette om ons van voor zijn venster weg te jagen, stoven wij uiteen.
De garage was een plek waar de mannen uit de buurt zich ’s avonds, na de dagtaak, aan de poort, verzamelden om er te palaberen: René Olders, Jef alias Tsjeppen en Camiel Rosseel, Georges Cornelis, Robert Vansieleghem, mijn vader… Voor mij waren dat mooie momenten.  Ik mocht er getuige zijn van een mannelijke camaraderie die me ook vandaag nog kan bekoren.  Ook de garage zelf staat me nog levendig voor de geest: de smeerputten waar altijd water in stond en die avontuurlijk oogden, ook omdat we er op ouderlijk bevel ver van moeten wegblijven; de hydraulische brug die er later kwam, het traliehek waarachter de werkbank stond en het materiaal; het bureautje waar het naar rubber en olie rook. Ook zie ik nog de bruine, steile trap die naar het appartement leidde en uitkwam in een halletje.  Rechts ervan was er een veranda-achtige ruimte met stenen vloer die als waskot dienst deed en ook als speelruimte, daar was ook een volière, want Robert kweekte zangvogels.  Ik herinner me de living en zelfs de bruin geverniste lage kast met gebombeerde deuren en centraal de zware eettafel.  Daar heb ik voor het eerst in mijn leven mosselen gegeten. Ik weet nog dat ik al de kleine, bruine stukjes eruit losgepeuterd had omdat ik dacht dat het oogjes waren. 
Al die verdwenen plekken, huizen, mensen…  Mijn doopmeter, Aline, moeders moeder, woonde inmiddels niet meer bij ons. Zij was ingetrokken bij Degrande, haar tweede echtgenoot, de man die zij op late leeftijd in Bredene had leren kennen; de twee zouden de rest van hun leven samen, al bekvechtend, doorbrengen. Ook Roste Miel en tante Eugenie waren inmiddels verhuisd. Zij waren teruggekeerd naar Westkerke, waaruit ze zoveel jaren eerder vertrokken waren om aan de zee fortuin te maken. Ze hadden Pol bij ons achtergelaten. Waardoor deze Pol mijn eerste kat werd en ik een kattenmens. Pol kon, net zoals een hond dat doet, een pootje geven. (Ook vandaag heb ik nog een kat in huis, een exemplaar dat ik van mijn overleden moeder geërfd heb en dat eveneens Pol heet, maar helaas geen pootjes geeft. Pol is de naam van mijn eerste kat geweest, veel kans dat het ook de naam van mijn laatste is.)
In die straat kon je in juli ook getuige zijn van een ritueel dat, zolang de Ronde van Frankrijk duurde, dagelijks terugkwam. Mijn vader en ik staken dan haastig de straat over, want daar bevond zich de Littoral van Alida en in dat café flikkerde het testbeeld. In het achterzaaltje zaten al enkele mannen te wachten. Mijn vader bestelde een pils van het merk White Star.  Zelf kreeg ik een glas gevuld met kleurstoffen die vandaag ongetwijfeld verboden zijn, want we bevinden ons nog steeds te midden de vorige eeuw, en de voedselinspectie staat nog in de kinderschoenen.
De stoelen kraken, de mannen steken een sigaret op en ik mag meeroken, zij het alleen maar passief. We wachten en kijken naar het testbeeld. Dat wordt nu en dan verstoord door schuine strepen. Waarop waardin Alida van achter de tapkast komt om de TV een dreun te geven. 
Opeens krijgen we een straat te zien, een andere dan deze die ons gisteren getoond werd, maar veel verschil is er niet.  Dwars over de straatbreedte werd een witte streep geschilderd. Daarboven hangt een spandoek waarop Arrivée geschreven staat. Nu en dan zien we iemand die straat oversteken en daarmee moeten we het doen. Na enige geaborteerde pogingen krijgen we een stem te horen die zegt dat we op de renners wachten. Ik nip van mijn limonade en krijg er een gele snor van. We wachten. Mijn vader zegt dat de Ronde van Frankrijk op maat van de Fransen gemaakt is. Dat blijkt ook uit het klassement dat de reporter ons nu voorleest en waarmee het wachten gedood moet worden.
Opeens gaat de stem van de reporter in overdrive, passerende moto’s duiden erop dat de renners in aantocht zijn. Vervolgens zien we een zootje dat op de meet afstevent en een renner die zijn hand omhoog steekt.  In het geharrewar valt de stem van de reporter weg, waardoor we een beetje moeten gissen wie er gewonnen heeft. 't Zal wel weer een Fransman geweest zijn.
Mijn vader en ik steken de straat weer over en vervolgen onze werkzaamheden, want in die tijd roept kinderarbeid bij niemand weerstand op en bij de Bredense middenstand nog het minst van al. Enkele uren later fietst een jongen door de Duinenstraat die Tour de France roept en Uitslag van de rit. Hij verkoopt de speciale editie van Het Volk, krantje dat vlak na de arrivée met vliegtuigjes in de Vlaamse beemden gedropt wordt, waarna loopjongens het tot bij de nieuwsgierige massa’s brengen. Mijn vader kijkt wie op Alida’s TV als eerste over de streep gereden is en ik zoek de muis op in de strip van Thomas Pips. 
In die periode van het jaar was het bijzonder druk voor onze deur. Honderden dagjesmensen zakten via die straat naar het strand af.  Dat gebeurde veelal per fiets, want ik heb het over een tijd waarin auto’s alleenlijk gekocht werden door mensen die daar echt nood aan hadden (alsmede door rijkaards, maar die kwamen niet naar Bredene, die gingen elders zonnen).
Tussen mijn ouderlijk huis en dat van de buren lag links een afgesloten stuk grond te wachten op bebouwing. Aan de poort hing een bordje waarop Plaats voor velo’s aangekondigd werd.  Elke zondagmiddag werd naast dat bord een stoel gezet en op die stoel zat ik.
Kort na het middageten kwamen ze toegestroomd.  Ze kwamen van heinde en ze kwamen van ver; van Oudenburg en Westkerke, Ichtegem en Eernegem, van het Sas en van het Dorp; vaders met hun zoon op de buis, moeders met hun dochter op de bagagedrager, bromfietsers die zwoeren bij het onvolprezen merk Superia, jonggezellen met brillantine in het haar, mannen die Wervik rookten en vrouwen met een hoofddeksel dat foulard heette en hun permanent moest beschermen tegen ’t zand. 
A rato van vijf frank konden ze hun fiets bij ons achterlaten. Op zonnige topdagen werden er zodoende vele tientallen en, in mijn misschien wel vervormde herinnering, zelfs meer dan honderd fietsen aan mijn hoede overgelaten.
En er was concurrentie. Aan de overkant van diezelfde straat, vijftig meter voor ons huis, stond de woning annex woonerf van boer Jerome Lagast.  Ik herinner me dat daar jaarlijks graan gedorst werd. Voor de rest gebeurde er op dat erf niet veel. Dus was ook daar plaats voor velo’s.  Daar werden de zaken geregeld door Martha, een leeftijdgenote van mijn ouders en dochter van de oude Jerome.
(Martha heeft het lang volgehouden.  De grond naast mijn ouderlijke woning was al lang bebouwd, zelf was ik al een man op zijn retour, boer Jerome was al lang dood & begraven, maar Martha bleef pal naast haar bordje Plaats voor velo’s staan. Jaarlijks verminderde het aantal fietsen dat op het erf van Lagast geparkeerd werd.  Kwam dat doordat het fietsslot intussen uitgevonden was? De tijd had inderdaad niet stilgestaan, al was dat aan de kledij van Martha niet te zien.  Het merk Superia bestond niet meer.  De mensen uit de polderdorpen namen nu het vliegtuig naar Benidorm. Het zal vooral aan het toenemende autobezit gelegen hebben…  Het kon hoe dan ook niet blijven duren. Toen ik na veel omzwervingen terug in Bredene kwam wonen, zag ik haar nog altijd naast het bordje staan, waarop nu evenwel geschreven stond: Plaats voor auto’s.)
Rechts naast ons woonde coiffeur Van Outryve. Diens dochter Francine was verloofd met Frans Mestdagh die om de hoek woonde. De Mestdaghs baatten  daar een kleine bloemenkwekerij uit. Tegelijk was Frans ook koster.
Ik zie ze voor me staan, op de hoek van die twee straten. Ze zien er gelukkig uit. Ze konkelfoezen. Zij is te voet, hij met de fiets.  Hij komt van de kerk waar hij ervoor gezorgd heeft dat de dienst netjes verlopen is.
Frans en Francine waren beiden telgen van streng katholieke families. En doordat de roepingen in die tijd welig tierden, hadden zowel Frans als Francine een broer die ingetreden was.  Over de broer van Francine wist ik niets. Onlangs vernam ik dat hij maar kort als broeder in ’t klooster verbleven heeft.  De broer van Frans was missionaris en verbleef in Rwanda.
Pater Mestdagh kwam met grote tussenpozen naar het land terug. Dat was telkens een hoogtepunt in ons rijke roomse leven. Er werd dan telkens een feest van het type Vlaamse kermis aangericht, waarbij wij, de kinderen, telkens moesten aantreden om onze kunstjes te tonen. De opbrengst was voor de missiewerken van de pater. Uiteindelijk kwam hij in Rwanda om in een autoaccident.
We groeiden op in een wijk waar iedereen elkaar bij de voornaam, of zelfs bij de lapnaam, noemde.  Sietje, Pros, Jerome, Paula, Theofiel (Thei!), Adriënne, René, Troete… En kijk, inmiddels woon ik, na veel omzwermen, weer in de wijk waar ik in mijn jeugd geleefd heb. Vandaag wordt diezelfde wijk echter bevolkt door onbekende medemensen, afkomstig uit streken die je op de kaart niet eens kunt aanwijzen.  Het vraagt veerkracht om daarmee om te gaan. Dat niet iedereen die veerkracht opbrengt, mag blijken uit het eigenaardige, soms zelfs verwerpelijke stemgedrag dat de verkiezingen ons keer op keer weer openbaren.
Wij hebben niet zo goed leren omgaan met verschillen.  In heel mijn kindertijd heb ik op straat één zwarte medemens gezien. Dat was in de tijd dat we nog neger mochten zeggen. Hij tekende jaarlijks present op de dag dat de cavalcade door de straten trok. (Een cavalcade is een stoet.)  Op de stoep van de Duinenstraat stonden toeschouwers zich vele rijen dik te vergapen aan Vlaamse praalwagens en nog meer aan de inderdaad indrukwekkende billen van Nederlandse majorettes. Maar voor het zover kwam, passeerde daar eerst nog de pikzwarte Boele.  Hij had een mooi pak aan, glom van het zweet en leurde met snoep.  Terwijl hij voorbij de wachtende massa’s voortschreed, prees hij zijn waar aan, luidkeels ‘boules’ roepend. Van zodra we hem in ’t zicht kregen, begonnen wij, kinderen, opgewonden te roepen: ‘Boele is daar! Boele is daar!’  Want hij was de voorbode van de cavalcade. 
Dat hij ook de voorbode was van de verstedelijking, de globalisering en de interculturele maatschappij, konden wij niet weten.  Wij dachten dat alles niet alleen nu, maar ook in de eeuwen der eeuwen 't zelfde zou blijven.  Duurzaamheid! Het woord werd toentertijd door niemand gebruikt omdat het de evidentie zelve leek te zijn.
We hadden nochtans beter moeten weten. Was er in Brussel niet een Wereldtentoonstelling georganiseerd? Waren we daar in 1958 niet allemaal naartoe geweest? Hadden we op deze Expo 58 niet allen gezien dat alles in beweging was en dat niets zou blijven zoals 't was?  Het na-oorlogse fundament was gelegd, zo leerde die tentoonstelling ons, nu lag de weg naar de vooruitgang voor ons open. Gauw! Kom kijken! Kom kijken! Kom kijken naar deze wondere producten die de nieuwe tijden aankondigen: Philips, IBM, Coca-Cola, Solvay, Kodak en niet te vergeten Côte d'Or die van Expo 58 gebruik maakt om ons kennis te laten maken met een chocoladereep gevuld met praliné: Dessert 58!
Het wiel van de verandering was wel degelijk in gang gezet.  Een poelier worden, zoals mijn vader er een was, kon iedereen. Je had er geen diploma voor nodig, je moest alleen maar bereid zijn met bloedend en krijsend pluimvee om te gaan. Een beenhouwer was iets helemaal anders, de beenhouwerij was een stiel die aangeleerd moest worden, en ja, een beenhouwer verdiende meer dan een poelier.
Je weet hoe het is met ouders, zij dromen van een betere toekomst voor hun kind. Dus wilde mijn vader dat ik beenhouwer zou worden. Ik sprak hem niet tegen, omdat mijn mening niet gevraagd werd, maar ook omdat ik vond dat beenhouwer Fernand Minne een toffe pee was die in zijn winkel worsten draaide terwijl hij sigaretten rookte.
Toen ik twaalf jaar geworden was moest de zaak getrancheerd worden. Bij een slager in de leer gaan was uitgesloten. Mijn vader zei dat ik evengoed zijn winkel kon kuisen als die van Minne, mijn moeder vond dan weer dat ik te goed leerde om de school links te laten liggen. Even werd eraan gedacht mij naar de slagersschool van Anderlecht te sturen, maar daar zou ik intern moeten worden en ja, hoeveel zou dat alweer niet kosten. De zaak bleef onbeslist. Wat een beetje ongemakkelijk was, want ik was aan ’t einde van het lager onderwijs gekomen.
Het compromis bestond erin dat ik wel naar het college in Oostende trok, maar niet naar de middelbare afdeling ervan. Op aanraden van de directeur werd ik er ingeschreven in een zevende jaar, een voorbereidingsjaar. Tijdverspilling was het en bijzonder frustrerend omdat mijn vriendjes door die keuze een jaar voorsprong op me namen. Mijn ouders gaf het de tijd om de beenhouwerskwestie te trancheren.
In de winkel luisterde ik later in dat jaar een gesprek af tussen mijn moeder en een klant. Dat deed ik wel meer, want het was een goede manier om iets te weten te komen over al datgene waarover kinderen in het ongewisse gelaten werden. Zo kwam mij ter ore dat ik uiteindelijk toch geen beenhouwer zou worden, want, zo zei mijn moeder, een col is vlugger gewassen dan een overall.
Voorwaar een uitspraak waarover ik moest nadenken, want hij riep nogal wat vragen op. Minne droeg immers geen overall maar een kiel. Daarnaast vond ik het problematisch dat een beroep beoordeeld werd naar de was die het voortbracht. Verder scheen het me toe dat het wassen van een boord ook niet simpel was, want Dash waste in die tijd bijlange niet zo wit als de reclame zegt dat ze dat vandaag doet. En waarom moest ik daar nog verder in dat zevende studiejaar blijven zitten?
Het waren vragen die naast de kwestie zaten. En de kwestie was dat ik geen beenhouwer zou worden. Er zat voor mij niets anders op dan verder goed te leren.  In afwachting opende ik het dakraam van mijn zolderkamer, stak mijn hoofd naar buiten, ontstak een verfomfaaide sigaret die ik uit een jaszak gepikt had en wachtte tot wanneer ik Rachel beneden in de straat zou zien passeren. Rachel was heel afstandelijk en daardoor ook heel begerenswaardig. Mijn buikgevoel leerde me dat ik wel zin had om mijn hoofd onder haar rok te steken.  Terwijl de sigarettenrook zich oploste in de lucht van mijn kindertijd dacht ik tevergeefs na over een gepaste manier om het haar te vragen.
Een reactie plaatsen