vrijdag 28 juni 2013

A l’Ostendaise


Om mijn tijd te verdoen ging ik in die dagen veel naar de cinema. Vooraf ging ik dan iets eten, meestal sole à l’Ostendaise, maar als 't snel moest gaan gewoon een zakje frieten. Zelf wist ik dat niet, maar de frietkoten van Oostende waren toen allemaal in handen van de gebroeders Braun. De uitbating ervan werd door die broers uitbesteed aan trawanten die daar soms wel soms niet een goede zaak aan overhielden. 
Der Untergang is een lange film. De vertoning begon, zo had ik op de valreep gezien, vroeger dan gewoonlijk, waardoor ik die dag niet uitgebreid kon tafelen; ik ging voor de snelle hap. In het frietkot leerde ik Eva kennen die dat frietkotwerk maar niets vond. Ze toonde me een foto van een omgebouwde bunker, te midden het voor de rest ongerepte duingebied van Bredene. Daar woonde ze met haar twee honden en een immer afwezige man. Ik vond het een indrukwekkende woonst en de immer afwezige man opende onverwachts nieuwe perspectieven. Ik toonde haar foto’s van mijn kleinkinderen, en daarvan kwam zij dan weer onder de indruk; het maakte van mij de familieman die ik niet ben. We spraken af om samen een glas te drinken en ik gaf haar mijn telefoonnummer.
’s Anderendaags vertelde ik een collega over mijn ontmoeting. Van de weeromstuit vertelde hij me een verhaal over een visser die Adam heette en die op latere leeftijd tot het besluit kwam dat hij meer vrouw dan man was. Adam had de zee vaarwel gezegd om aan de wal als Eva door 't leven te gaan. Die collega bracht me ook op de hoogte van de machtsverhoudingen in de Oostendse frietkotensector. Ik hechtte er weinig belang aan, noch aan dat verhaal over Adam & Eva noch aan dat van de frietkoten. Ja, zei ik, om ervan af te zijn, 't zijn merkwaardige tijden.
Een week later was Eva me thuis komen ophalen. In ’t pikkedonker waren we het duin opgereden. De honden hadden gegromd. Zij had zich in de badkamer teruggetrokken en in afwachting van wat komen zou had ik me op ’t bed uitgestrekt. De wind gierde vervaarlijk om de bunker. Aan de muur hing de foto van een vissersschip. Hoe langer ik ernaar keek, hoe meer ik in paniek geraakte. Ik meende te horen hoe een auto het duin opreed, waardoor ik ook nog eens aan de immer afwezige man moest denken. De honden jankten. Hoorde ik Eva roepen dat ik me moest verstoppen? Ik wachtte niet, sprong op een kist, opende een tot raam omgebouwd kijkgat, stak mijn been naar buiten en werd verblind door de bliksem die op de bunker insloeg. Mijn andere been wilde niet mee en twee honden kwamen kwijlend op me afgerend, het schuim op hun muil voegde zich bij dat van de golven die tegen het beton van de bunker te pletter sloegen.
De telefoon maakte me wakker. De droom ontsnapte uit mijn bewustzijn. Eva. Of ik die avond vrij was. Ja, dat was ik. Ik wreef de slaap uit mijn ogen. Of ik zin had in een glas. Ja, dat had ik. Dat ik later op die dag mijn been brak, belette me niet om 's avonds met haar mee te rijden. Dat was verkeerd van me, want laat dit nu net de moraal van dit verhaal zijn: een mens hoort de voortekenen te respecteren. In de bunker lag ik op Eva te wachten die zich in de badkamer teruggetrokken had. Ik keek om me heen, zag de foto van het vissersschip en het tot raam omgebouwde kijkgat. Alles leek op iets wat ik al eerder gezien had. Toen kwam Eva uit de badkamer. Daar viel niet naast te kijken en ik zag meteen dat ze de tot inkeer gekomen visser was waarover mijn collega me verteld had. Ik moest vluchten, maar dat gebroken been belette me tot bij het raam te komen. In een bunker bij de zee werd ik genomen door een visser die geen visser was. Daar op die dag, in de duinen, beleefde ik mijn eigen ondergang, der Untergang à l’Ostendaise!
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen