dinsdag 11 juni 2013

De Blauwerssluis


De Blauwe Sluis te Bredene.
Zelf vind ik dat Bredene mooie namen aan zijn wijken geeft: Sas, Dorp, Duinen. Zo mogelijks nog fraaier zijn Kop van ’t Sas, Maria Duyne, Groenendijk en Blauwe Sluis. Mooi is ook dat al die namen voor zichzelf spreken, behalve Blauwe Sluis dan.
De Blauwe Sluis. Ik sta ernaar te kijken en ik kan er niets ontwaren dat blauw is, of ’t zou het publiciteitspaneel van een café met dezelfde naam moeten zijn. Dat café is op die dinsdag helaas gesloten en ook de andere woningen ogen verlaten. De wijk lijkt op een Spaans dorpje tijdens de uren van de siësta. Ik ben er haast zeker van dat de mensen hier nog, net als ik, in Belgische franks rekenen.
Een boogscheut verder zit een grijsaard op de stoep. Ik vraag hem waarom het daar de Blauwe Sluis heet. Hij antwoordt me op gedempte toon, als om de rust niet te verstoren: ‘Dat komt doordat er hier destijds geblauwd werd. Eigenlijk heet ’t hier de Blauwerssluis.’ Waarna ’s mans echtgenote hem komt weghalen omdat ’t eten klaar is.
De kwestie van de Blauwerssluis laat me sindsdien niet meer los. In gedachten keer ik terug naar een tijd waarin het grondgebied van Bredene alleen maar uit slikken, schorren en zoutweiden bestaat. Er wonen wel mensen, maar niet erg veel en degenen die er wonen blijven niet lang, want ze staan haast voordurend met hun voeten in ‘t sop. Waarmee ik zo’n duizend jaar streekgeschiedenis samenvat en mij inmiddels aan het begin van het tweede millennium bevind.
Kort na het jaar 1000 doen zich weer grote overstromingen voor. De enigen die aan al die nattigheid iets kunnen doen zijn de monniken. Om het land te cultiveren graven ze vaarten en werpen ze dijken op. Afgeschermd van het stormgeraas kan Bredene zich, nu met vaste grond onder de voeten, rustig ontwikkelen. Wat me, hopla!, weer zeshonderd jaar verder brengt.
Die rustige Bredense vastheid wordt in het midden van de XVIde eeuw verstoord. Oorlog! De ene partij, de Geus, verschanst zich in 1601 in Oostende. Hij slecht de duinen zodat de omgeving bij hoogtij overstroomt, wat moet beletten dat de Spanjool hem langs daar aanvalt.  De overstromingstactiek heeft ook onbedoelde gevolgen: het afgraven van de duinen leidt in Oostende tot het ontstaan van de huidige havengeul en creëert in Bredene een krekennet.
In 1604 valt de stad.  Nu de oorlogsstokers elders vechten kan er hier weer vredig aan de polders gewerkt worden. In de eerder aangelegde dijk (vandaag is dat de streep die gevormd wordt door Duinen-, Sluizenstraat en Plassendalesteenweg) graaft men in 1626 een gat waardoor zo’n kreek met de aan de andere kant liggende Noordede verbonden wordt. Het overtollige water kan nu van de landerijen stroomafwaarts naar de Oostendse haven vloeien.  Zo’n gat brengt uiteraard gevaar voor overstromingen met zich mee. Vandaar dat er in dat gat een sluis gebouwd wordt. Ha, voel je hem komen?!
Dat stelsel van kanalen en vaarten dient niet alleen voor de afwatering. Met kleine platte schuiten voert men over water goederen van Bredene naar de Ieperlee. Aan de sluis worden die schuiten via een windas over de dijk de Noordede in getrokken. 
Hier komt dan eindelijk de kwestie van het blauwen in zicht.  Dat is, zoals u ongetwijfeld weet, niet hetzelfde als blowen; blauwen is een synoniem van smokkelen. Moet men aan die sluis tol betalen? Worden daar douanerechten ontweken? Worden er daarom goederen over de sluis gesmokkeld? 
Tijd om de zaken scherp te stellen. Het begrip smokkelen is ruimer dan het ontduiken van de rechten van in-, uit- en doorvoer.  Het woord betekent ook bedriegen van anderen door iets achter te houden. (1) En dat zal daar ook wel gebeurd zijn. In de overdracht van schuiten zal er aan de sluis wel regelmatig een en ander ‘van de camion gevallen' zijn; ja, er zal ongetwijfeld geblauwd zijn. Daardoor komt het dat men er vandaag nog over de Blauwerssluis spreekt. 
Er zit een flink stuk poëzie in het woord Blauwerssluis, vind ik. Helaas werd de sluis niet daarom blauw genoemd, wel omwille van de prozaïsche reden dat hij in blauwe arduinsteen gebouwd werd. (2) 
Spijtig? Een beetje wel, ja. Maar wat belet ons eigenlijk om desondanks van de Blauwerssluis te spreken? Er is daar vandaag, zoals gezegd, niets te zien dat blauw is. Een sluis heb ik daar trouwens evenmin gezien. Zouden ze die ook geblauwd hebben?
Flor Vandekerckhove

(1)  Sluiken — smokkelen. Het begrip smokkelen is ruimer dan het begrip sluiken. Het laatste ziet uitsluitend op het drijven van sluikhandel, het ontduiken van de rechten van in-, uit- en doorvoer; smokkelen op het bedriegen van ambtenaren der belastingen en ook op het bedriegen van anderen door iets achter te houden of te verzwijgen. Ik wil nog wel een spel met u spelen, maar onder conditie, dat gij niet weer smokkelt.’ Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908).
(2) G. Desopper, Bredene en de Blauwe Sluis, in Jaarboek 1996 Ter Cuere, ps 97 e.v. Waaruit ik ook alle andere feitelijkheden van dit stuk gehaald heb.
Een reactie plaatsen