maandag 8 juli 2013

Verleden, heden en toekomst van de Oostendse vismijn, maar dan in een notendop


Op 22 juli '51 werd de nieuwe vismijn
feestelijk heropend. De Oostendse visserij
ging gouden jaren tegemoet.
Vooraf dit: het woord vismijn komt niet van het Franse mine, zoals dat met koolmijn wel het geval is, maar van het Middelnederlandse mien (mijn), de uitroep waarmee een koper de veilingmeester diets maakt dat hij zich de waar toe-eigent: Mien! Deze vis is mijn!  Het Vlaams kreeg in 't Frans een leenwoord, minque, dat in België en Frans-Vlaanderen gebruikt wordt. Verder in Frankrijk gebruikt men het woord minque niet, daar spreekt men van la criée; elders in het Nederlandse taalgebied gebruikt men het woord vismijn evenmin, daar spreekt men van veiling of afslag. 'k Zeg het maar opdat ook de onkundige lezer uit 't binnenland zou weten waarover we het hier hebben.
Tot in 1934 bevond de Oostendse vismijn zich in de stad. Daar meerden de schepen aan, daar vertrok de fameuze vistrein die het voedsel tot ver in Europa bracht.
Dat kon zo niet blijven duren. De stad werd te klein voor al die visserijbedrijvigheid.  Daarenboven stond de visserij er ook de ontwikkeling van het toerisme in de weg.  ‘Al op 20 maart 1907 had de voorzitter van de Handelskamer in de algemene vergadering gepleit voor het bouwen van een nieuwe vissershaven met vismijn aan de oostkant van de havengeul (…)  Het was juli 1911 als de regering (…) besliste dat er een nieuwe vissershaven zou komen ten oosten van de havengeul. (…) Niettegenstaande de minister bekwame spoed had beloofd voor de uitvoering, zou het nog meer dan 20 lange jaren duren vooraleer de nieuwe vissershaven te Oostende zou ingewijd worden.’ (1)
Daar zat WO I natuurlijk voor veel tussen. De Duitse legers trokken op 15 oktober 1914 de stad binnen. De haven kwam daardoor aan beschieting bloot te staan. In de inmiddels verdwenen Vuurtorenwijk alleen al vielen er 38 dodelijke burgerslachtoffers.
Na de oorlog werden de plannen voor een nieuwe vismijn weer ter hand genomen. ‘De werken duurden van 30 maart 1929 tot 17 februari 1932. (…)  Na heel wat moeilijkheden van technische aard kon de vissershaven eindelijk ingehuldigd worden op 15 september 1934.’ (2)
De sector verliet de stad en trok naar de Oosteroever.  Enkel de ‘bootsjouwers’ bleven het Schuildok in de stad als vaste meerplaats gebruiken. (De restanten ervan vindt u vandaag nog aan de beroemde Oostendse Vistrap.) 
‘De nieuwe vismijn was een modern complex, met lange, overdekte verkoophallen en een loskade die plaats bood aan meerdere vaartuigen. De vissersvloot telde inmiddels 270 eenheden, waarvan 150 in Oostende gebouwd, de aanvoer steeg en de visserij floreerde. In 1935 voerde men in Oostende alleen al ca. 20 duizend ton verse vis en ca. 12 duizend ton haring aan (ter vergelijking: in 2003 bedroeg de totale visaanvoer in Oostende ca 6 duizend ton).’ (3)
De nieuwe vismijn werd in 1934 geopend en enkele jaren later was het alweer oorlog.  Tussen 21 en 28 mei 1940 werden Oostende en de haven zwaar bestookt door de Duitse luchtmacht.  De ravage was enorm. 166 mensen, waaronder 34 Oostendenaars, werden gedood. 1500 Oostendse gebouwen werden vernield of zwaar beschadigd. Vernietigd was omzeggens heel de Kapellestraat. Het Stadhuis en de Openbare Bibliotheek gingen in vlammen op. De hotels op de dijk die niet vernietigd waren werden dichtgemetseld en werden deel van de Atlantikwal. Ook de vismijn was vernietigd. Vissen was alleen nog toegelaten in de kustwateren en onder militaire begeleiding.
Na de oorlog werd alles heropgebouwd. In afwachting werd de vis verkocht in een haastig opgetrokken gebouw langs wat nu de Hendrik Baelskaai heet. Deze tijdelijke vismijnhal werd omwille van de modderige ondergrond de ‘sliekmiene’ genoemd. In 1949 werd de nieuwe vuurtoren in dienst genomen. Ook de zwaar getroffen vismijn werd heropgebouwd.  Hij werd op 22 juli 1951 door koning Boudewijn ingehuldigd.  De Oostendse visserij was in feest, op de Opex werd een openluchtbal georganiseerd.
Nooit was er zoveel visserijbedrijvigheid in Oostende als tijdens de jaren vijftig en zestig. Vanaf de jaren zeventig werd het duidelijk dat de gouden jaren voorbij waren. De overbevissing begon zijn tol te eisen: IJsland ging de visgronden voor buitenlanders afschermen; de haringvisserij werd enkele jaren verboden (en kon nadien niet op gang getrokken worden); de aanvoercijfers daalden en daarmee ook de tewerkstelling. Het centrum van de visserijbedrijvigheid verlegde zich naar Zeebrugge. De Europese Unie begon de vloten van de lidstaten te ‘downsizen’, waardoor het aantal schepen nog eens verminderde; almaar strengere quotaregelingen maakten van de visserij een twijfelachtige zaak; riante slooppremies hielpen de reders om de visserij te verlaten; Nederlandse reders die de dure quotaregelingen in eigen land wilden ontwijken kochten Belgische rederijen op en namen de Belgische visquota mee naar Nederland…
De kapitaalinbreng van de NV Zeebrugse Visveiling (1988) was ook de start van een meedogenloze competitie om zich de resterende brokken van de Belgische visserij toe te eigenen.  In die concurrentiestrijd moest eerst de Oostendse rederscoöperatieve (OVA) de duimen leggen (2003) en later ook het autonoom gemeentelijk visbedrijf Exploitatie Vismijn Oostende.  De kapitalisten van de Zeebrugse Visveiling namen in oktober 2010 de Oostendse vismijn over en verwierven op die manier een quasi monopolie op de in België aangevoerde vis.
De nieuwe uitbater zegt de site te zullen heropbouwen. Een kleine, efficiënte vismijn, omringd door visverwerkende bedrijven, zou de visserij in Oostende blijvend verankeren. Tot vandaag zijn die plannen evenwel dode letter gebleven. In Oostende groeit de scepsis.
Een blik in onze kristallen bol leert ons dat de visserij ook de komende jaren onderwerp van gesprek blijft. Wordt het Oostendse Visserijdok al dan niet gedeeltelijk gedempt? Zal de Oostendse Oosteroever visserijonvriendelijk worden als de projectontwikkelaars er hun luxeappartementen slijten? Wordt er een nieuw, modern vismijngebouw opgetrokken of laat de directie van de Vlaamse Visveiling de boel daar vakkundig leeglopen? We zullen zien zei de blinde.
Flor Vandekerckhove

(1) Raymond Vancraeynest, De geschiedenis van de rederij Aspeslagh – Deceuninck.
(2) Raymond Vancraeynest, Nieuwe vismijn 50 jaar. In Ter Cure Bredene, Jaarboek 1984. p. 145-149..
(3) Frank Redant. Van “Cierk” tot “Miene, De geschiedenis van de Oostendse vismijn. (www.vliz.be/docs/groterede/GR13_cierk_tot_miene.pdf‎). p.17.

Een reactie plaatsen