dinsdag 3 december 2013

Wat de fuk is een roman?


Peter Holvoet-Hanssen en
Don Fabulist (foto Jo Clauwaert)
Het heeft enige tijd geduurd vooraleer ik er een titel aan kon geven, want dit veel te lange stuk is het resultaat van enkele dagen geestelijk freewheelen. Ik had het ook Marx ontmoet Montaigne kunnen noemen, of nog duisterder: A.L. Snijders ontmoet I.F. Stone. Of het duisterst van allemaal: Flor ontmoet Peter HH en de Don. Maar de essentie ervan is toch wel, zo zie ik achteraf, dat ik geprobeerd heb te begrijpen wat een roman is.
Dat alles is toch wel vreemd, want dit stuk valt grosso modo samen met een brief die ik enkele mensen schreef, een soort afscheidsbrief, en tegelijk blijkt die afscheidsbrief ook iets anders te zijn. Dat vraagt dus enige uitleg.
Terwijl ik dit aan ’t schrijven ben rolt enkele kilometers verder een tijdschrift van de persen; het laatste nummer van dat tijdschrift nog wel, want de uitgever, ondergetekende, geeft er de brui aan. Over die brui valt veel te vertellen, maar ik ga dat hier & nu niet doen. Maar u begrijpt dat ik tegelijk afscheid neem van de mensen die aan dat tijdschrift meegewerkt hebben. 
Daar zitten merkwaardige kleppers bij, mensen die zo ongewoon zijn dat ik enige moeite heb moeten doen om hun leven & streven te doorgronden. Terwijl ik dat aan ’t doen was, heb ik, vreemd genoeg, tegelijk mijn eigen leven & streven moeten ontcijferen. Ja, de praktijk van het schrijven blijkt een mysterieus ding te zijn, en ook daarover gaat dit stuk.
De titel die ik er uiteindelijk boven gezet heb, verwijst ook naar bijdragen die eerder al in deze blog terechtgekomen zijn: ‘Wat de fuk is poëzie?’ en ‘Wat de fuk is een schilderij?’ Het zijn vragen die te maken hebben met die merkwaardige mensen waarover ik het hoger had; auteurs en kunstenaars die hebben en houden inzetten om hun eigen ding te kunnen doen. En wat is dat dan, dat ding?
Ding? Ding? Een ding is zeker: ’s nachts zijn we allemaal auteurs. Wat we overdag beleefd hebben, komt ’s nachts tot ons terug in merkwaardige verhalen met verdichte beelden die — mag ik dat zo zeggen? — sterk aan literatuur verwant zijn. Dat dromen duidt er wellicht op dat mensen het nodig hebben om hun ervaringen, kennis en verlangens in beelden en verhalen om te zetten.
’t Is iets wat overigens al vroeg in ’t leven zichtbaar wordt. Je zorgt ervoor dat je kind te eten heeft, gekleed wordt, dat 't de slaap krijgt die het nodig heeft en dat het… een verhaaltje meekrijgt voor het slapengaan. Het is ook al vroeg zichtbaar in de menselijke geschiedenis: grottekeningen, mythen,… De mens is een ‘verhalen vertellend’, 'verbeeldend' wezen.
Georges Perec: Literatuur is onlosmakelijk
met het leven verbonden.
Verhalen vertellen, dat is wat de schrijver doet.  Hij verbeeldt de dingen des levens en als ‘t goed gedaan wordt, slaagt hij erin om zin aan dat leven te geven. De Franse auteur Georges Perec zegt het zo: ‘Literatuur is onlosmakelijk met het leven verbonden: het noodzakelijke verlengstuk van de ervaring, de vanzelfsprekende uitkomst ervan, de onontbeerlijke aanvulling erop. Elke ervaring opent de deur naar de literatuur en elke literatuur naar de ervaring, en de weg die van de een naar de ander voert — of dat nu zelf schrijven of lezen is — maakt een verbinding mogelijk van het fragmentarische en het omvattende, een overgang van het anekdotische naar het historische, van een va-et-vient tussen het algemene en het bijzondere, tussen sensibiliteit en luciditeit, wisselwerkingen die de basisstructuur van ons bewustzijn vormen.’
Er zijn uiteraard nog andere wegen die naar zingeving leiden: de wetenschap bijvoorbeeld. Die weg leidt ons ook naar inzicht, maar wetenschappelijke kennis is abstract. De verhalenverteller doet het anders. Hij benadert de dingen zinnelijk, met aandacht voor het emotionele, het onredelijke en voor gevoelens allerhande; hij heeft het over menselijke eigenschappen die wel degelijk bestaan, maar die noodzakelijkerwijze uit het wetenschappelijke denken weggegomd worden.
Kom met me mee. We gaan kijken naar mijn vijver, en we gaan dat doen op de manier waarop de wetenschapper het doet. Zijn benadering leidt ons naar pH-waarden, we krijgen een inzicht in de zuurtegraad van de vijver en we komen dingen te weten over stikstof in het water. Ja, zo begrijpen we hoe dat waterspel functioneert.
Wie mijn vijver alléén maar langs de wetenschappelijke kant benadert, doet zichzelf toch fel tekort, zo leert ons de filosoof Hub Zwart. Je moet ook oog hebben voor de imaginaire of poëtische kant ervan. ‘Op een dag verschijnen twee libellen en een pad die in deze nieuwe biotoop hun domicilie kiezen. Tussen het penningkruid, het vlotgras en de slangenwortel nestelen zich slakken en watervlooien. De man beleeft veel plezier aan de vijver. Die toont zich elke dag en op elk tijdstip anders. Met de wisselende schaduwen en schitteringen in het water is de vijver nooit dezelfde vijver. De kleine waterplas in de tuin lijkt te openbaren wat zonlicht is. Om de wuivende waterplanten hangt een waas van geheimzinnigheid.’
Ook zo’n verhalen heb je nodig om mijn vijver ten volle te begrijpen. We kennen dan ook allemaal romans die ons over een of ander meer geleerd hebben dan al wat we erover aan wetenschappelijke kennis bijeen hadden kunnen halen. De negerhut van oom Tom is zo’n boek. Het heeft ons de slavernij laten begrijpen.
Oscar Wilde: Kunst is nutteloos.
Hoe dat komt? Literatuur dringt diep binnen in ‘le moi profond’. Anders dan de wetenschapper trekt de verteller het innerlijke, het emotionele, het gevoelsleven mee in bad. In de productie van het verhaal krijgt de auteur met onderliggende, nauwelijks te benoemen, ingewikkelde processen te maken die doorheen vele eeuwen in ons opgebouwd werden en die hij in beelden naar boven haalt.  Hij verbeeldt zodoende zaken die we aanvoelen, waarvan we een vermoeden hebben, die we als-van-onszelf herkennen, maar die nooit eerder op die manier concreet verbeeld werden.  Het is die herkenning die we als ‘mooi’ ervaren.
Hoe slaagt de schrijver daar eigenlijk in? Is hij niet, evengoed als elke andere mens, een kind van zijn tijd? Is hij niet in een bepaald milieu opgegroeid en erdoor gevormd, net zoals wij allen? Draagt hij dan niet de vooroordelen en beperkingen van zijn tijd en klasse met zich mee? Jawel, maar hij slaagt erin om die beperkingen minstens gedeeltelijk te doorbreken. Waardoor hij essentiële dingen des levens kan vatten die zijn milieu en tijd ver overstijgen.  Daardoor komt het dat de sonnetten van Shakespeare ons vandaag nog altijd ontroeren en dat de problemen van een bourgeoisfamilie, zoals Philippe Claudel die in zijn recente film Avant l’hiver toont, ook voor mij (ik, die toch aanschurk tegen de onderklasse) heel herkenbaar zijn.
Goeie verhalenvertellers breken tijd en ruimte open, letterlijk! Het tijdschrift waarover ik het hoger had mocht regelmatig bijdragen ontvangen van Dirk Sluys, een medemens die fabels en sprookjes schrijft onder de naam Don Fabulist. Deze auteur-verteller heeft zich uit Vlaanderen teruggetrokken, leeft in Wallonië, in een woonwagen. Vanuit die breuk met zijn milieu, klasse, land, tijd, produceert hij zijn verhalen. Het laatste dat ik toegestuurd kreeg heet De zwarte graaf en is een herinterpretatie van de Halewijngeschiedenis. Of hoe een auteur inderdaad de beperkingen van tijd en milieu kan doorbreken.
Oscar Wilde was een groot voorstander van het principe van l’art pour l’art. Je kunt zelf een andere strekking aankleven, maar met zijn estheticisme benadrukte hij wel dat de kunstenaar helemaal niet de spreekbuis van zijn tijd moet zijn, het doorgeefluik van de geldende waarden. Kunst staat volgens Wilde los van de burgerlijke moraal en de politiek. Kunst, zo vindt hij, moet nutteloos zijn ! Waarmee hij de burgerlijke waarden van zijn tijd en klasse — iets moet nut hebben — verwerpt. Tegenover die waarden brengt hij zijn eigen schepping in stelling.
Majakovski: ook de stijl moet
gerevolutioneerd worden.
Gebeurt dat scheppen in volle bewustzijn? Uiterst zelden. De auteur is zich bijna nooit bewust van de bredere reikwijdte van de beelden die hij produceert. De Duitse literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki is van mening dat ‘de meeste schrijvers niet veel meer van literatuur begrijpen dan vogels van ornithologie. En dat ze hun eigen werk al helemaal niet kunnen beoordelen. Want doorgaans weten ze weliswaar wat ze ongeveer wilden laten zien en verduidelijken, bereiken en bewerkstelligen, maar die wetenschap vertroebelt hun blik op wat ze werkelijk hebben gepresteerd en gemaakt. De criticus moet onderzoeken — zo grondig en zorgvuldig als maar mogelijk — wat de auteur heeft geschreven. Wat de auteur verder over zijn werk heeft te zeggen, moeten we niet negeren, maar ook niet bijzonder serieus nemen.’  
Ik vind dat wel leerzaam, zo’n uitspraak. Er blijken bij het schrijven niet alleen bewuste processen aan ’t werk te zijn, maar ook onbewuste of halfbewuste, waarvan de schrijver geen weet heeft. Wie de betekenis van een roman ten volle wil vatten, moet bijgevolg voorbij de expliciete bedoeling van de verteller kijken. Wie alleen maar ziet wat de auteur bewust in het werk heeft willen leggen, begrijpt er maar een fragment van.
Dat te begrijpen opent dan weer de weg naar andere inzichten. Omdat het schrijfproces gepaard gaat met onbewuste processen mogen schrijvers nooit belemmerd worden door censurerende  interventies. Deze roep om vrijheid heeft, zo wordt mij nu duidelijk, niets met idealisme maken, maar met de essentie van het schrijven.  Gekortwiekt door censuur kan een roman de onvoorziene, wilde, onbewust of halfbewust gestuurde vlucht niet nemen die hij uit de aard van het beestje nochtans hoort te doen. De censuur belet literatuur te zijn wat ze is en leidt daardoor per definitie naar slechte boeken.
Toen Peter Holvoet-Hanssen enkele jaren geleden het stadsdichterschap van Antwerpen aangeboden kreeg, eiste hij van het schepencollege expliciet een vrijgeleide. Dat was geen gril van Peter. Het was hem niet om een democratisch recht te doen en het had niets te maken met de grondwettelijke vrijheid van drukpers; hij formuleerde gewoon de voorwaarde om te kunnen doen wat men van hem vroeg: schrijven!
Karl Marx: Le style c'est l'homme.
Ik blijf nog even bij de censuur hangen, want terwijl ik voorbeelden ervan aan het sprokkelen was, die normaliter alleen maar tot de compost van dit stuk zouden behoren, stootte ik ook daar weer op inzichten die mijn lees- en schrijfpraktijk ongetwijfeld zullen beïnvloeden.
Censuur? De Russische dichter Majakovski kon erover meespreken. Hij was een dichter in een roerig land, in roerige tijden en hij stond echt wel aan de goeie kant van de barricade. Hij verdedigde de Russische revolutie en produceerde gedichten waarin hij de nieuwe tijd bejubelde, maar de futurist die hij was deed dat niet altijd op de wijze die de nieuwe politieke elite voor ogen stond. Majakovski zette zich immers af tegen alle geldende normen en conventies inzake woordvorming, syntaxis, spelling en ritmiek. Ook de taal moest, zo meende hij, gerevolutioneerd worden. Dat alles viel uiteraard meteen af te lezen in ’s mans stijl. De Sovjetleiding kreeg daar gauw genoeg van en begon van zijn schrijvers eenvoud en duidelijkheid te eisen. Majakovski’s toneelstuk Mystero Buffo werd daarom niet gepubliceerd.
A.L.Snijders: de echte wereld is
onoverwinnelijk.
Vele tientallen jaren eerder werd ook Karl Marx, als jonge journalist, met vormcensuur geconfronteerd. Zijn eerste stuk betreft een commentaar op instructies van de Pruisische censor die stelt dat hij ernstig en discreet onderzoek naar de waarheid niet zal belemmeren. Marx antwoordt spottend: ‘Is het niet de eerste plicht van de waarheidszoeker om onmiddellijk naar de waarheid te grijpen, zonder daarbij naar links of rechts te kijken? Zal ik de essentie van de zaak niet over het hoofd zien als ik niet mag vergeten het in een passende vorm te doen? Verder is het zo dat waarheid algemeen is, ze hoort niet alleen mij toe, ze is van allen, ik bezit haar niet.’ En dan komt het: ‘Wat van mij is is de vorm, dat is mijn geestelijke eigenheid. Le style c’est l’homme. Ja, de wet laat mij inderdaad toe om mijn geestelijk gelaat te tonen, maar dat moet ik wel eerst in de voorgeschreven vorm gieten! (…) Ik ben humoristisch, maar de wet verplicht me om ernstig te schrijven. Ik ben brutaal, maar de wet beveelt me mijn stijl te matigen.’  De jonge, rebellerende Marx ontmoet hier de naar rust strevende, ‘oude’ Michel de Montaigne waar die zegt: ‘Wie de waarheid treft, kan net zo dwaas overkomen als wie ernaast zit, want wat voor ons telt is niet wat iemand zegt, maar hoe hij het zegt.’
Wil dat niet zeggen dat stijl een kracht in zich draagt die we normaliter alleen aan de inhoud toekennen? Wellicht wel, ja. Als stijl onderwerp van censuur kan zijn, wil dat dan niet zeggen dat stijl naar vermeend gevaarlijke, want oncontroleerbare, inhoud kan leiden? Wellicht wel, ja.
I.F. Stone: Je moet je geen martelaar
voelen, je moet ervan genieten.
Het is de stijl waar het om gaat. Het is in de stijl dat de maker met zijn tijd en klasse breekt. Het is de stijl die hem tot een lezenswaardig auteur maakt, ook voor mensen die niet tot zijn milieu behoren. Het is de stijl die ons laat ervaren dat er een conflict is tussen het leven zoals het is en zoals het in onze stoutste dromen kan zijn. De stijl van een boek legt verlangens bloot die niet meteen bevredigd kunnen worden, niet binnen het bestaande kader. Het is de stijl van de auteur die de weg naar verandering opent. En het is op deze weg dat Montaigne en Marx elkaar ontmoeten. En op die weg komen ze godbetert ook Georges Perec tegen, want die legt zichzelf een stijl op, door middel van ‘contraintes’, anagrammen en palindromen — ja, ik heb ook de betekenis ervan moeten opzoeken —, omdat die zelfopgelegde beperkingeneen soort directe toegang tot het onbewuste zijn, veel sterker dan welk automatisch schrijven ook, veel sterker dan wanneer je uitgaat van de woordbetekenis. Het feit dat je woorden produceert via die zeef, via dat filter. Wat daar doorheen komt…’
Tijd om mijn lievelingsauteur A.L. Snijders in te zetten, mijn joker als 't ware: ‘[M]aar dat alles is troost, dat is literatuur, poëzie, filosofie, verbeelding, dat is de wereld van de woorden. Dat is de wereld die je nodig hebt om overeind te blijven in de echte wereld, maar die echte wereld is onoverwinnelijk.’
Ik denk dat Snijders gelijk heeft (Snijders heeft altijd gelijk), maar daar moet ik dan wel de woorden van de grote I.F.Stone aan toevoegen, de journalist-verhalenverteller die mijn jeugd verblijd heeft: ‘De enige gevechten die het waard zijn gevochten te worden zijn deze die je gaat verliezen, want iemand moet ze leveren en verliezen en verliezen en verliezen tot de dag komt dat iemand, die denkt zoals jij, ze wint. Om iemand over 100 jaar te laten winnen, moeten een heleboel andere mensen bereid zijn om — voor het pure plezier en de vreugde ervan — voorop te gaan en te vechten, wetende dat je gaat verliezen. Je moet je geen martelaar voelen, je moet ervan genieten.’
Stone ontmoet Snijders! Is de echte wereld onoverwinnelijk? Dat moet dan toch eerst nog bewezen worden.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen