donderdag 12 maart 2015

Over Moby Dick (2)

Vijfentwintig jaar lang ben ik redacteur geweest van een tijdschrift  dat Het Visserijblad heet; wat me toelaat met gezag te stellen dat het boek u op een bijzonder mooie manier in de visserijwereld binnenleidt. Moby Dick wordt voor ’t eerst in 1851 gepubliceerd en het boek heeft ons, vreemd genoeg, 164 jaar later nog altijd veel over de visserij te vertellen.
Uiteraard is het meer dan een mooi vissersverhaal. Het kan als een gothic roman gelezen worden. En neen, dat had ik niet opgemerkt toen ik het de eerste keer aan 't lezen was. Dat je het ook als een Bijbels verhaal kunt interpreteren is wèl meteen duidelijk. Veel personages ontlenen hun naam aan Bijbelse figuren. Kapitein Achab voert een bemanning aan waarvan je meteen begrijpt dat heel de mensheid erin vertegenwoordigd is. Heel die mensheid wordt in Achabs val meegesleurd, net zoals ons dat eerder al met de Bijbelse zondeval overkomen is. De witte walvis is voor Achab wat de appel voor Adam & Eva is. Door die zondevalgedachte is Moby Dick een verhaal van alle tijden. Zegt Achab: ‘Hoe kan een gevangene uitbreken als hij niet door de muur breekt? Voor mij is de witte walvis die muur, vlak voor me geschoven. Soms denk ik dat er niets achter zit. Maar het is genoeg. Hij daagt me uit, hij werkt op mijn zenuwen; ik zie een godgeklaagde kracht in hem en een ondoorgrondelijke boosaardigheid die deze staalt. Dat ondoorgrondelijke is het vooral wat ik haat, en of de walvis nu werktuig is of aanstichter, ik zal mijn haat op hem koelen. Praat me niet van godslastering, kerel; ik zou de zon slaan als ze me te na kwam.’
Anderzijds is het verhaal erg met de moderniteit verbonden. Kapitein Achab is het soort burger dat ook vandaag nog de lakens uitdeelt. Achab is een kapitein en dus de manager van een schip. Managers zijn degenen die tot taak hebben voortdurend de grenzen te verleggen, de lat almaar hoger te leggen: hoger, verder, vlugger, meer. Managers zijn zelf niet noodzakelijk kapitalisten, maar ze zijn wel degenen die ervoor zorgen dat het kapitaal almaar groeit. Daarom worden ze ook zo duur betaald door de kapitaalbezitters, die op de achtergrond, onttrokken aan het oog van het volk, hartstochtelijk hopen dat de manager het kapitaal laat aangroeien en dat daarbij the sky the limit is. Die achterliggende hebzucht verleent de manager blijkbaar telkens weer het recht om de boel de dieperik in te jagen, zoals de bankencrisis het ons weer geleerd heeft. Doet zo’n manager ons niet denken aan een scheepskapitein die eerst de grenzen aftast, er vervolgens over gaat en uiteindelijk… het cruiseschip laat kapseizen, zoals de ramp met de Costa Concordia ons gedemonstreerd heeft? En gebeurt dat alles niet zoals kapitein Achab in zijn megalomanie het schip met man en muis de dieperik injaagt? Dit is wat de manager in de figuur van Achab zegt: ‘De reders mogen van mij op het strand van Nantucket gaan staan en boven de orkanen uit schreeuwen. Wat kan dat Achab schelen? Reders, reders? Starbuck, ge bazelt altijd tegen me over die gierige reders, alsof die reders mijn geweten zijn. Bedenk wel, de enige echte eigenaar van iets is de gezagvoerder, en luister: mijn geweten zit in de kiel van dit schip. Aan dek!’ De reis van Achabs schip is daardoor ook deze van de kapitalistische samenleving, op zoek naar haar uiteindelijk catastrofe.
De vraag die elk weldenkend mens daaromtrent stelt is deze: hoe komt het dat wij dat allemaal laten gebeuren? Ook Melville stelt zich die vraag: ‘Hoe het kwam dat zij in feite volledig meegingen met de toorn van de ouwe — door welke kwade toverij hun ziel bezeten was dat zijn haat haast de hunne leek en de witte walvis net zo goed hun onduldbare vijand als de zijne; hoe dit alles zo kwam — wat de witte walvis voor hen betekende of hoe hij ook in hun onderbewuste begrip vaag en onvermoed de grote, rondsluipende demon van de wereldzeeën kan hebben geleken — dit alles zou een diepere duik vereisen dan Ismaël vermag.’ Ismaël, de verteller van het epos, schiet hier duidelijk te kort. Louis-Paul Boon zou Ismaël in deze omschrijven als ‘geniaal maar met te korte beentjes’. In plaats van het gezag te tarten, in een poging om schip en bemanning van een zekere ondergang te redden, geeft hij zich over aan metafysische dromerijen. Of zoals hij het zelf zegt:‘Ik voor mij gaf me over aan de verlatenheid van tijd en ruimte.’ De eerste stuurman, Starbuck, probeert de kapitein wel tot redelijkheid te bewegen, maar muiten doet hij niet, hij zit gevangen binnen de grenzen van de wettelijkheid — de wet is de wet, de baas is de baas — en het schip vaart zijn ondergang tegemoet. Hoe herkenbaar is dit alles niet voor wie het boek vandaag leest, anderhalve eeuw nadat het geschreven werd!
Meer over Moby Dick vind je hier.


Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen