zaterdag 14 maart 2015

Over Moby Dick (3)

— Ismaël zoals de schilder Bo Bartlett hem ziet. —
Lange tijd ben ik redacteur geweest ben van een tijdschrift dat Het Visserijblad heet. In die tijd heb ik, noblesse oblige, romans gelezen die zich in het vissersmilieu afspelen. Met twee figuren uit het genre voel ik me erg verwant. De eerste is R.G. Quoyle uit de roman Scheepsberichten van Annie Proulx en de andere is Ismaël uit Moby Dick van Herman Melville.
Eerst Quoyle. Op latere leeftijd keert hij vanuit het binnenland gedesillusioneerd terug naar de kust waar hij geboren & getogen is en waar hij een huis heeft staan. Hij gaat er werken voor een plaatselijk krantje waarvan hij hoofdredacteur wordt. Hij vindt er de liefde die hij elders vergeefs gezocht heeft. Dat alles is ook mij overkomen, maar niet in Newfoundland, maar ten oosten van Oostende. Ik heb er hetzelfde volk ontmoet, dat met dezelfde problemen worstelt als de personages uit het boek. Daar kan een mens uiteraard niet naast kijken.
Ismaël uit Moby Dick, die andere romanfiguur waarmee ik me verwant voel, overleeft een avontuur op een walvisvaarder en vertelt nu, oud & wijs geworden, zijn verhaal aan lezers die veilig thuisgebleven zijn. Ogenschijnlijk is er geen verschil tussen hen en de verteller, ze zitten als ‘t ware samen op een bank aan de wal, op de plek waar Ismaëls verhaal ooit begonnen is. Toch is er wel degelijk een verschil: de verteller heeft zijn leven op ’t spel gezet. 
Waarom heeft die Ismaël zoiets gedaan? Als 't toch maar is om uiteindelijk naast degenen te zitten die veilig aan de wal gebleven zijn? Het is een van de weinige levensvragen waarop ik meteen het antwoord weet: 't is omwille van het verhaal dat hij het gedaan heeft. 
Het boek werpt nog vragen op waarover tekstgeleerden worstelen, maar ik niet. Het start met de beroemde openingszin Noem me Ismaël. De verteller heet niet zo, maar hij vraagt de lezer om hem toch maar zo te noemen. Velen breken zich daar het hoofd over, zelf vind ik dat een normale zaak. Ik vraag de lezer ook om me De Laatste Vuurtorenwachter te noemen. Die naam is niet toevallig, net zomin als Ismaël een toevallig gekozen naam is. Ismaël is een naam uit de Bijbel waar hij een randgeval genoemd mag worden, net zoals de vuurtorenwachter zo'n randgeval is. 
Nog eentje: de monomane Achab sleurt iedereen met zich mee de dood in, behalve Ismaël die zich aan de raadselachtige kist van zijn maat Queequeg vastklampt en daardoor overleeft. Velen vragen zich af wat daarvan de betekenis is. Ik niet, voor mij is dat zonneklaar. Wanneer alles mislukt is, wanneer de zaak definitief verloren is, blijft er nog altijd het verhaal dat verteld moet worden. Aan de inhoud van de kist, die hem redt, voegt Ismaël een nieuw verhaal toe. De opeengestapelde cultuur, verbeeld door de kist, redt de verteller en die voegt daar, het verhaal vertellend, een nieuwe laag aan toe. Het is niet toevallig dat een soortgelijke koffer zo’n grote rol speelt in mijn roman Amandine.
Die Ismaël lijkt me bijgevolg een geschikte kerel, een zielsverwant waarmee ik me graag vereenzelvig, iemand die wel aan de rand staat, maar een sympathieke overlever is.
Toen moest ik nog het Amerikaanse Mariners, Renegades & Casteways (matrozen, muiters en schipbreukelingen) van CLR James bestellen. Daarin zet deze James zijn eigen interpretatie van het boek neer. Hij leert me een andere, veel minder sympathieke kant van Ismaël kennen, en ja, moet ik toegeven, daarin herken ik ook een minder sympathieke kant van mezelf: klik hier.
Flor Vandekerckhove


Geen opmerkingen: