zondag 22 november 2015

De begrafenis

In mijn bus zat een doodsbrief. Miel was gestorven. Ik schrok, kwam in ademnood en moest ervan gaan zitten. Miel had een vaderrol in mijn leven vervuld. Hij was de man die me had leren fietsen, hij had me respect bijgebracht voor de vruchten en het gedierte des velds en hij had me voorgehouden dat een rustig leven het mooiste was wat een mens kon nastreven. Alles wat ik aan levenskunst in me droeg was daar door Miel in geplant. En nu was hij dood.
De post had er in Frankrijk lang over gedaan om de brief tot bij mij te krijgen. Ik las dat hij ’s anderendaags al begraven zou worden. Ik twijfelde niet, stak enig ondergoed in een plastic tas en startte de auto. In één ruk legde ik de hele afstand af, elfhonderd kilometer, en onderweg dacht ik heel de tijd aan Miel, aan onze lange wandelingen, aan de sloten koffie die we daarna dronken en aan de gesprekken die we plachten te voeren over het weer, vooral over het weer.
Het was al donker toen ik het dorp binnenreed. Veel weiden en velden hadden er plaats moeten ruimen voor nieuwbouwwijken, maar al  die vooruitgang kon niet beletten dat ik moeiteloos de weg naar het oude centrum vond. Ik zag dat mijn jeugdvriendin er nog altijd haar bar uitbaatte. In heel de streek was ze wellicht de enige hoer die had kunnen standhouden, want veel middenstand bleef daar blijkbaar niet over. Ik parkeerde de auto vlak voor haar deur, stapte uit en proefde de wind die nog altijd de smaak van mijn jeugd in zich droeg. Ik belde aan, wist dat ze me door het spionnetje bekeek, ik hoorde de zoemer en ging naar binnen.
Mijn vriendin was dikker geworden, maar de bar was onveranderd gebleven. Ze was blij me te zien. De zoen die ze me gaf was veelbelovend en nadat we menig glas gedronken hadden gingen we naar bed. Het vrijen liet me denken aan zonde, radio Veronica, warme chocolademelk, The Beatles en deinende korenvelden. Daarna vielen we samen in slaap.
Toen we wakker werden was de avond alweer aan ’t vallen. De kerk was dicht, de koffietafel geruimd, de dooie Miel lag onder de zoden. Mijn ouwe vriendin bakte een eitje. Ik rekende af, gaf haar een kus en reed terug naar Frankrijk. Onderweg dacht ik heel de tijd aan Miel, aan onze lange wandelingen, aan de sloten koffie die we daarna dronken en aan de gesprekken die we plachten te voeren over het weer, vooral over het weer.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen