zondag 1 november 2015

Vissen, boeren, stropen

— Franse wildstroper betrapt door de marechaussee (1881) —

In 2011 publiceerde Johan Depotter een indrukwekkend werk over de Vlaamse IJslandvaarders, mannen die tussen 1815 en 1938 over de grens ­— de ‘schreve’ — trokken om in Frankrijk in te schepen. In twee boekdelen verzamelde hij 975 namen van zo’n IJslandvaarders. Vanuit Duinkerke en Grevelingen voeren ze ter visserij. De reis — traverse — begon in maart en, als alles goed ging, kwamen de mannen zes maand later weer naar huis. Achter de namen, zo moest Depotter constateren, ging telkens ‘een diepmenselijk verhaal schuil, veelal van schrijnende armoede’.
Niet zo lang geleden stuurt Depotter me een register op, waardoor ik nu gemakkelijk doorheen de — meer dan 1.000! — bladzijden kan navigeren. Uit nieuwsgierigheid combineer ik ‘stropen’, ‘jachtwachter’ en ‘duinheren’.  En leer daarmee iets over de stelregel die zegt dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet. Dat blijkt te kloppen, zo zie ik: het is zowel de rijke als de arme verboden om een brood te stelen.
 ‘Jachtwachters waren’, zo schrijft Depotter, ‘een doorn in het oog van menig IJslandvaarder. De helft van ’t jaar moesten ze vers gebraad missen. Bij hun terugkeer konden de meesten niet aan de verleiding weerstaan om bij het zien van al die konijnen in het duinstruweel ’s avonds nog eens naar die konijnenweelde terug te keren. Met wat fijne koperdraad was een stropje vlug gezet.’ Ja, dat is waar en een zwaar vergrijp kun je dat ook niet noemen. Maar daar dacht zo’n duinheer destijds anders over, en dat had niets met het geleden dierenleed te maken. Dat ondervond ook de jonge Bertier toen hij op 13 december 1870 ‘in de duinen van de heer Ollevier-Vanwoumen gevat werd (…) op ’t moment dat hij stroppen plaatste.’ Het leverde hem 16 dagen celstraf op. Op 29 december werd hij weer betrapt, maar nu in de duinen van ene Bortier. Dat gebeurde nog eens op 19 januari 1871. En voor elke daad werd die mens veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 dagen. In een maand tijd stapelde de IJslandvaarder bijgevolg zes weken gevangenisstraf op… voor het vangen van een konijn; een beest dat, zoals elke kustbewoner weet, overvloedig in de duinen aanwezig is.
Duinheer! Ik had het woord nog nooit gehoord. In de Westhoek wordt het gebruikt om de grootgrondbezitters te benoemen die eertijds eigenaars van duingronden waren. Wat we ons daarbij moeten voorstellen vertelt Depotter in een kaderstukje. De duingebieden van Oostduinkerke waren in de 19de eeuw in handen van de Brugse grootgrondbezitter Jan Bauwens. ‘De vissers waren er pachters van duinenweiden en zandakkers. De opbrengst van de IJslandvaart diende meestal om de pachtgelden te betalen. (…) Zolang er niet voldoende zandgrond of duinweiden konden afgepacht worden, moest men op IJsland varen. Dat was de harde realiteit.’ De IJslandvaarders waren bijgevolg boeren die via de visserij voldoende grond probeerden te pachten om een rendabele duinenhoeve uit te baten. Wanneer ze daarin slaagden — na 15 à 20 keer succesrijk de traverse gemaakt te hebben — was het niet meer nodig om de gevaarlijke en uitputtende tocht naar IJsland te ondernemen. Dan kon men leven van de opbrengst van rogge, aardappelen, gerst en groenten en ook van de verkoop van melk en varkens. De strandvisserij was een bijverdienste.
Niet iedereen was sterk en volhardend genoeg om twintig keer naar IJsland te trekken. Soms monsterde een jongeman maar een keer aan: ‘Binnenkort moest de zoon naar ‘den troep’ en dat betekende twee jaar geen inkomsten. Hij zou dus eerst een schone reis doen en zijn opbrengst kwam zijn ouders ten goede. Anderen wilden trouwen. De jaarlijkse pacht moest nog betaald worden, er was geld nodig voor een stel haringnetten of men wilde mee betalen voor de aankoop van een schuit.’
Bittere noodzaak dus. En dat gold ook voor de stroperij waarin ook de jonge Arthur Vanbillemont zo bedreven was. In het gezin werden vijftien (!) kinderen geboren, waarvan er al negen tijdens het eerste levensjaar stierven. De ouders werkten hard als knecht en meid op een polderhoeve, maar het bleef armoe troef. Zoon Arthur toog al ter kustvisserij toen hij dertien was. In zijn vrije tijd trok de jongen de duinen in. Daar werd hij verschillende keren betrapt tijdens het stropen en daarvoor ook veroordeeld tot gevangenisstraffen: eerst voorwaardelijk, dan acht dagen, daarna nog zestien dagen en ten dan nog eens zestien dagen. Na zijn legerdienst werd hij IJslandvaarder. Zijn derde reis, in 1901, werd hem fataal. Het schip sloeg lek en hij verdronk. Zijn moeder ‘krijste dagenlang. Op een dag probeerde ze, volledig ontredderd, haar huis in brand te steken.' De miserie had haar radeloos gemaakt.
Flor Vandekerckhove
P.S.: Meer over dit indrukwekkend boekwerk vind je in de blog Het Voorlaatste! Visserijblad. Je komt op die site terecht als je hier klikt.
Een reactie plaatsen