donderdag 23 februari 2017

Schrijven in de politieke branding

— Philip Rahv (1908-1973) —
Bladeren in oude jaargangen van een tijdschrift, da’s iets wat ik graag doe. Toen ik hier de volledige collectie van het New Yorkse culturele tijdschrift Partisan Review aantrof, was het dan ook alsof ik op een goudmijn stootte. Nu en dan keer ik naar die site terug. Als iets mijn oog trekt, maak ik er een stukje van. Die stukjes vind je gemakkelijk weer als je in de labels ter rechterzijde van de blog op ‘Partisan Review’ klikt.
Inmiddels ben ik aan het PR-nummer van februari 1938 toegekomen. Hier valt mijn blik op een bijdrage (*) van Philip Rahv, een van de twee stichters van dat tijdschrift. Hij maakt de balans op van de eerste twee congressen van de League of American Writers, een mantelorganisatie van de communistische partij (CPUSA).
Het eerste greep plaats in 1935. De tekst was duidelijk genoeg, zegt Rahv: ‘Het kapitalistische systeem verkruimelt terwijl we ernaar kijken’ en de tekst vervolgt: ‘Tien jaar geleden was er slechts een handvol auteurs dat voldoende ver kon kijken en moedig genoeg was om een standpunt ten voordele van de proletarische revolutie in te nemen. Nu zijn er honderden die willen helpen om de vernietiging van het kapitalisme te bespoedigen.’
De Amerikaanse schrijvers die aan het stichtingscongres deelnemen focussen op de ‘various forms of revolutionary writing and the writer’s relation to communism.’ Welke 'various forms' dat mogen zijn vertelt Rahv ons niet. Wel wijst hij op de hoogdravende boodschap van de Franse Louis Aragon, waarvan hij zegt: ‘These people have never learned to distinguish between the living world and the mechanized dreams of their party-apparatus.’ Ook haalt hij een discussie aan waarin een goedmenende Amerikaanse auteur het over ‘volk’ heeft en hoe de herauten van de partijlijn alles in stelling brengen om dat woord te vervangen door ‘arbeiders’.
Hoe anders is het in 1937. Het Tweede Schrijverscongres poneert niet langer dat het kapitalistische systeem verkruimelt en in de teksten is er nu wel volop sprake van ‘het volk’. Dat komt doordat de communistische partijen intussen een andere ‘lijn’ aangenomen hebben. Nu gaat het volop over het vormen van ‘volksfronten’. En als de partij zwenkt dan moeten de schrijvers uiteraard kordaat mee zwenken. ‘Revolutionary writing’ is niet langer nodig, want in de nieuwe lijn steekt de partij de hand uit naar, wat Rahv neerbuigend omschrijft als: ‘well-paid scenario writers and ancient contributors of The Saturday Evening Post.’ Ze zijn het soort schrijvers waarmee de communisten dat volksfront in de literatuur weerspiegeld willen zien.
Het Eerste Schrijverscongres heeft auteur Waldo Frank tot voorzitter gekozen. Tijdens het Tweede Congres is die nergens meer te bespeuren. Donald Ogden Stewart wordt de nieuwe president. Rahv noemt hem ‘a dark horse from Hollywood’. Maar wat is er met de eerste voorzitter gebeurd?
De Wikipedia leert me dat Waldo Frank zich openlijk uitspreekt tegen de schijnprocessen in
— Waldo Frank (1889-1967) —
Moskou en dat hij in  januari 1937 in Mexico een bezoek brengt aan de uit de Sovjet-Unie gezette Leon Trotski. Frank is aan de kant gezet omdat hij de partijlijn niet volgt.
Waarom hecht Rahv zoveel belang aan die congressen? 'Veel Amerikaanse schrijvers zoeken een antwoord op de vragen die de sociale crisis van de jaren dertig oproept', zegt hij. ‘Daarin hebben de stalinisten, ondanks hun krankzinnige sectarisme, in de vroege jaren dertig een vooraanstaande rol gespeeld. (…) Hun literaire politiek was de weerspiegeling van een sectaire partijlijn, maar omdat de partij zich nog op revolutionaire principes baseerde, kon ze bepaalde revolutionaire krachten in de literaire wereld vrijmaken. “Proletarische literatuur” (…) was nooit een onvermengd product. Gedeeltelijk was het een resultaat van de sociale situatie van de hedendaagse cultuur en gedeeltelijk een administratief begrip van de communistische partij en van de belangengroepen van sovjetauteurs. Die hebben het programma van die literatuur zover doorgedreven dat het niet meer toegepast kan worden, ze hebben het teruggebracht tot onzin (…)’
Nu de communistische koerswijziging verduidelijkt dat literatuur alleen nog de bureaucratische gedachtenkronkels moet dienen, roept Rahv de schrijvers op om het woord van André Gide te volgen: ‘Kameraad,’ zei Gide, ‘geloof nergens in; aanvaard niets zonder bewijs. Het bloed van martelaren heeft nog nooit iets bewezen. (…) Stop met geloven: studeer. (…) Laat niet toe dat ze je dat geloof opleggen. Laat niet toe dat ze je inpakken.’
Flor Vandekerckhove


Philip Rahv. Two Years of Progress — From Waldo Frank to Donald Ogden Stewart. In Partisan Review, volume IV – nr. 3 / feb 1938.
Een reactie posten