dinsdag 30 augustus 2016

Brief aan mijn Nederlandse lezers

— Herman Pieter de Boer (1928-2014) —
Ook omdat ik er hier en daar al over geklaagd heb, weet u dat wij, hier in ‘t zuiden, niet goed wegraken met uw Nederlands, een taal die we nochtans met elkaar gemeen hebben. Dat valt me weer op terwijl ik de beschikbare werken van uw landgenoot Herman Pieter de Boer aan ’t lezen ben. Wij kennen die taal echt niet!
Goeie schrijver is die Herman Pieter, maar In elk verhaal staat minstens een woord dat ik niet ken. ‘Ze besprenkelde het hele huis en ook de deel met odeur en rozenwater tot er geen asempje boerenlucht meer te ruiken was.’ Asempje en odeur zijn me vreemd, maar ik kan ze wel plaatsen. De deel heb ik moeten opzoeken, dat is de dorsvloer.
Soms is er meer aan de hand. Ik zie dat de auteur Herman Pieter de Boer heet, een naam die, zoals gebruikelijk in Nederland, dacht ik, met kleine d geschreven wordt. Maar zelf schrijft hij wel: ‘De dialoog ben ik vergeten, ik weet alleen nog dat hij Herman zei inplaats van meneer De Boer.’ Ik wil het niet over dat inplaats hebben, maar waarom schrijft hij De Boer daar met een kapitaal? Hij doet dat wel meer: ‘Een borreltje, meneer De Boer?’ en ‘Ik ben kapitein De Boer.’ Kunt u me dat uitleggen? Waarom is het Herman Pieter de Boer, maar kapitein De Boer en meneer De Boer?
Weet u wat de Boer — De Boer? — schrijft wanneer hij stapelgek van iets is, van het gezang van Eddy Christiani bijvoorbeeld? Hij zegt: ‘ik was er stapelgek mee.’ Zijn jullie stapel met iets, waar wij dat van iets zijn?
Elk verhaal heeft zoiets. Herman Pieter gaat de plekken van zijn jeugd opzoeken en ziet dat de dingen veranderd zijn. Zijn conclusie: ‘Niet je ware.’ Dat staat daar zomaar. Niet je ware!
In het landschap staat een ‘Mariabeeld in een stenen huiske.’ Dat zouden wij nooit durven schrijven en er staan er hier nochtans zoveel. Elders ontwaart hij zowaar een ‘koek-en-zopie’. Geen idee!
Wanneer Herman Pieter in België is, neemt men daar van hem afscheid met ‘Houdoe!’ Iets wat mij nog nooit overkomen is. In een kamp gaat alles ‘op zijn janboerenfluitjes’. In een kerk is een ‘kruisgang’ geschilderd.
Iemand heeft uiteindelijk ‘toch nog tuk’. En ooit heeft auteur De Boer (auteur de Boer?) geslapen in een opklapbed met watergruwelkleurige gordijnen. Wist je overigens dat de jongens in zijn school ‘een drollenvanger’ droegen?

Tijd om samen te vatten: ‘Nadat ik de deel van mijn huiske schoongeveegd had, schilderde ik een kruisgang in de gang. Op de tafel plaatste ik een koek-en-zompie. Daarna besprenkelde ik me met odeur zodat er geen asempje van mijn adem meer te ruiken was. Ik had nog maar mijn drollenvanger aangetrokken — of opgezet, daar wil ik vanaf zijn — of het volk begon al binnen & buiten te stromen. Alom klonk ‘Houdoe! Houdoe!’ De dag verliep op zijn janboerenfluitjes tot wanneer mijn buurvrouw zag dat ik geen gordijnen had. Uiteindelijk had ze nog tuk, want ze zei dat ze er nog enkele liggen had, maar ze zei uiteraard niet dat ze watergruwelkleurig waren. Geeft niet, antwoordde ik, toen ik die kleur zag, daar ben ik stapelgek mee. Tegelijk merkte ik op dat ze niet leken op deze die ik in mijn jeugd gekend had. Niet je ware.’

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten