donderdag 18 augustus 2016

Het pistool


Een vliegtuigmotor maakt ons wakker, niet zozeer door zijn geluid dan wel door het onderbreken ervan. De motor hapert, valt stil en wordt weer opgestart. En nog eens. Daarna niets meer. We slapen verder.
Boven onze hoofden heeft zich een drama afgespeeld, maar dat komen we pas ’s anderendaags te weten. Niet heel ver buiten de bebouwing is een vliegtuigje neergestort. Ik meen me te herinneren dat de piloot het overleeft, maar zeker weten doe ik dat niet meer, want ’t is lang geleden. Wel weet ik nog dat de wrakstukken op de heide liggen.
Koen, die daar dichtbij woont, weet waar ze liggen, die stukken. Op school spreken we af: we gaan de zaak onderzoeken. Koenraad Levecke zal ons leiden, hij kent daar de weg.
In mijn herinnering is het zomers warm. We zijn een nomadenstam, de stam van de korte beentjes, die het onbekende tegemoet gaat. Het is een lange tocht oostwaarts. Wellicht trekken we eerst een eind langs het strand dat een woestijn verbeeldt. Ter hoogte van de Visserskapel steken we de duinen over en vervolgens de Koninklijke Baan. Nu bevinden we ons in het grote onbekende. Koen wacht ons daar op. Met hem hebben we een wachtwoord afgesproken, zodat we elkaar meteen herkennen in dit onbekende gebied. Over onverharde wegen leidt hij ons de heide in, — d’heie!
Een perimeter! Het gebied waar het vliegtuig neergestort is werd afgesloten. Verboden te betreden. Voor ons valt er niets te zien, niet op die afstand. In de verte zien we iets wat een wrakstuk kan zijn. Of iets anders. Het vliegtuig zou in zijn val een boom geraakt hebben. Het enige wat we zien is een lage struik. Teleurstelling.
De zon staat in het zenit. In het gras ligt iets te glinsteren. Een stuk wit metaal. ik neem het op, het is, godver… Een wapen. Geen plastic spul, echt metaal! En zwaar. Een zwaar pistool. Dat kan alleen maar het wapen van de piloot uit het neergestorte vliegtuig zijn. Hoe kan het anders op de heide terechtkomen? Het is ons meteen duidelijk dat de vliegenier een missie had. Keuze te over: spionage, smokkel, nog meer misdaad, een geheime militaire taak… Het enige wat we met zekerheid weten is dat het pistool uit het neergestorte vliegtuigje gevallen is. Of gesmeten, dat kan ook.
De makkers staan rond me. Ik weiger hun het pistool te geven, zo ’n trofee geef ik niet uit handen. Is het wapen geladen? We weten het niet. We kijken nog eens in het rond. Niemand in de buurt. Ik richt de loop naar de grond, mijn makkers steken de vingers in de oren. Ik haal de trekker over. Niets. Het pistool is ongeladen.
De terugweg kan niet rap genoeg afgelegd worden. Het pistool weegt zwaar, zowel in mijn broekzak als op mijn gemoed. Enerzijds wil ik met mijn vondst pronken, anderzijds bestaat de kans dat het pistool me dan meteen afgenomen wordt. Toon ik het aan mijn ouders of verberg ik het op een geheime plek?
Trots wint het van vrees. Thuis zit mijn vader in zijn fauteuil. Hij leest de krant. Ik besluit hem mijn trofee te tonen: kijk eens wat ik gevonden heb. Mijn vader neemt het zware wapen in zijn handen, klikt het open, ziet de nis waar het rolletje met klappertjes ingebracht moet worden, plooit het pistool weer dicht en leest verder in zijn krant. Mijn vader is een spelbreker.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten