Jan Huyghe in een reportage op de Tsjechische televisie, 1 december 2024. |
ALS UITGEVER VAN Het Visserijblad⇲ tekende ik al eens present op plekken waar ook anderen met publicaties leurden, zo ook Jan Huyghe⇲ die over vissers en boeren van de Westhoek schreef en dat trouwens nog altijd doet. Na mijn pensionering verloor ik hem ietwat uit het oog, maar niet helemaal, ook De Laatste Vuurtorenwachter heeft wel iets over Huyghe staan: Naar de hooipiete⇲, Over Willem Lanszweert⇲ en De IJzervloed⇲. We schrijven ook naar elkaar, Huyghe en ik, vandaar dat deze post met een briefje eindigt.
Jan Huyghe publiceert vooral non-fictie, zoals de biografie over Lucien Vanneuville⇲. Hij schrijft ook wel verhalen en gedichten, en mocht hij zich aan een roman wagen, zou dat ongetwijfeld een streekroman zijn. Dat komt mij goed uit, in de nasleep van mijn provocatie in Romanschrijvers en hun pretentie⇲ (°) wil ik iets over streekromans zeggen.
Beste Jan,Al lang vraag ik me af of er geen heimatroman⇲ in u schuilt, zozeer zelfs dat ik me tegelijk afvraag of ge ’t al niet gedaan hebt. 'k weet 't, ’t is een genre dat pretentieuze schrijvers⇲ neerbuigend van zich af duwen, en zelf doe ik dat ook wel, maar gij moogt u dat niet aantrekken.
Jan, ’t is niet dat we een nieuwe Ernest Claes nodig hebben, godver neen, één is meer dan genoeg geweest. Komt daar nog bij dat ik vind dat er te veel boeken gemaakt worden, in welk genre ook, en ge begrijpt dat ik mezelf een beetje tegenspreek. Maar als ik zie wat Chris De Stoop⇲ vandaag met zo’n streekroman doet, vraag ik me toch af waarom ’t niet meer gedaan wordt, bijvoorbeeld door u.Ik herinner me mijn kennismaking met het genre. In mijn schooltijd kwam ik danig onder de indruk van Antoon Coolen⇲: ‘Het kan zijn, dat de stormen spoken in de Sint Thomasnachten, en het kan zijn, dat midden in al dat geweld de stilte invalt van een dier zeer vroege avonden, als de ondergaande zon haar grote, rode vuren in de hemel ontsteekt. Dit kan alles zijn, maar nu, die allerlaatste adventsdag en de vigilie van Kerstmis, was het uit de hemel, die heel hoog grijs dicht zat, ineens gaan sneeuwen.’ (°°) Doet het u niet aan de grote Streuvels denken? Ouderwets? Dit is wat De Stoop in Dit is mijn hof⇲ (2016) zegt: ‘De natuur moet juist groter zijn dan wijzelf, ons overstijgen, ons wijzen op onze onbeduidendheid. Daarom trekt ze ons aan, fascineert ze ons, krijgt ze betekenis voor ons.’
Allee gauw, nog eentje. In De goede moordenaar⇲ (1931) leert Antoon Coolen ons hoe we moeten kijken: ‘(…) aan eenen viersprong van wegen stonden twee hooge canada's en twee hooge wilgen zoo mee zijn vieren bijeen in den trouw der jaren en in hunne standvastigheid. Door hun kruinen woeien alle winden, en in de stormen beefden en sidderden hun stammen van de geweldige innerlijke aandoening.’
(°°) Antoon Coolen. De gouden webben (1957) hier⇲ in dbnl.[Foto hiernaast: Antoon Coolen⇲, heimatschrijver, zo te zien een man van de wereld, toch.]
Geen opmerkingen:
Een reactie posten