zaterdag 10 november 2012

Toen het fort nog 'van Napoleon' heette


Het duinengat leidde naar de vrijheid.
Het duinengat van Bredene was een poort die ons elke zaterdag naar het rijk van de vrijheid leidde. Daarachter lag de zee, een leegte die alleen maar door de horizon begrensd werd. Rechts kon je bij goed weer tot aan Zeebrugge kijken en links zag je hoe het Oostendse oosterstaketsel zijn vuist diep in zee stak. Achter ons lagen de duinen die ons van de vele geboden — vooral verboden — afschermden die ons jonge leven regelden.
Onze korte beentjes konden ons nooit tot in Zeebrugge brengen, want we moesten natuurlijk wel op tijd weer thuis zijn.  Maar we probeerden wel, menig maal zelfs, om tot in Oostende te geraken.
Het is niet zo dat we dan besloten met fikse tred tot aan het oosterstaketsel te stappen. Het is meer dwalen wat we deden, van golfbreker naar golfbreker, een tocht die voortdurend onderbroken werd door alles wat er onderweg te ontdekken viel: het kadaver van een meeuw, een aangespoelde zeehond, een stuk visnet, bunkers en andere oorlogsresten die onze aandacht opeisten…
Zo nu en dan beklommen we een duin om uit de hoogte de andere kant te observeren, op zoek naar een herkenningsteken dat ons kon leren hoever we inmiddels gevorderd waren. Waren we al voorbij de oude molen? Waren we de Groene Dijk al gepasseerd? En vervolgens trokken we weer verder.
Die dag hadden we een record gebroken. Nooit eerder waren we zover geraakt. Wie was er die dag bij?  Ik weet ik niet meer. Ivan Steen? Ivan Schamp? Freddy Versluys? Norbert Olders? Wijlen Koenraad Levecke? Was Ronny David van de partij? Marc Loy? Dat zijn de namen die me spontaan te binnenschieten wanneer ik aan die stranddagen denk.  Maar zij die erbij waren zullen het zich herinneren. 
Ten laatste male beklommen we een duin om te kijken waar we ons exact bevonden.
En daar zagen we een bouwwerk dat we niet konden negeren.
En daar zagen we het fort van Napoleon, een bouwwerk dat we niet konden negeren. We bewapenden ons met stokken — want we waren op onbekend terrein dat misschien wel door andere jongens verdedigd werd — en beslopen het imposante gebouw in gespreide slagorde. De gespannen stilte werd verbroken toen een van ons riep: ‘Kom hier! Ik heb iets ontdekt.’
En zo kwam het dat een vijftal knapen enkele tellen later rond een gat lag dat in de duinen uitgegraven was, een verticale schacht die tot diep in het duin doordrong. In de muur waren ijzeren sporten verankerd als evenveel uitnodigingen om erin af te dalen.
Er volgde enig overleg: doen we het of doen we het niet? Wie durft, wie durft niet? We bespraken de tactiek: wie niet durfde zou op opkijk blijven staan. De rest zou in de schacht afdalen, een per een, zodat we niet allemaal tegelijk zouden verongelukken als zo’n sport loskwam.
Ik denk dat ik de eerste was om af te dalen, maar het kan ook een wankel geheugen zijn dat me hierin de heldenrol toebedeelt. Hoe dan ook, afgezien van die ene bloodaard die zichzelf opgaf om bovenaan op uitkijk te blijven staan, daalden we een na een de ladder af, diep in dat duin, op weg naar het onbekende.
Daar beneden was het avontuur bijlange niet afgelopen. De schacht mondde uit in een nauwe onderaardse gang die zich horizontaal door het zand boorde. Daar was alleen maar al kruipend door te geraken, maar op het einde van die tunnel was er licht te zien, voorwaar een uitnodiging waartegen we geen verweer hadden. 
Nadat we ons steunend op onze ellebogen doorheen de smalle tunnel gemanoeuvreerd hadden, kwamen we in een caponnière van het fort terecht. Wat een ontdekking!
De rest van de middag spendeerden wij in dat indrukwekkende fort dat er in die tijd verlaten en verwaarloosd bijlag. We ontdekten er open haarden waarvan we veronderstelden dat soldaten van Napoleon er zich aan gewarmd hadden, we vonden stro dat we in verband brachten met de paarden van het Franse leger en er stond ook een generator, maar dat laatste negeerden we omdat, zo besloten we na overleg, er in de tijd van Napoleon geen elektriciteit bestond, laat staan generatoren om die op te wekken.
De schacht die naar de onderaardse gang leidt
bestaat vandaag nog wel degelijk.
Wat een middag! We hadden een echte onderaardse gang ontdekt die toegang gaf tot een fort dat na de dood van Napoleon door niemand meer betreden was.  Van dat laatste overtuigden we onszelf op de terugweg die merkelijk vlugger afgelegd werd dan in het doorgaan, want het begon al te schemeren. Thuis wachtte ons dan ook het gewone pak slaag omdat we weer eens te laat aan tafel kwamen.
Nog niet zo lang geleden vertelde ik de dochter van mijn vriendin over dat avontuur. Ik had het nog een beetje aangedikt, zodat het kind me niet geloofde. Dus trokken we samen op zoek naar die onderaardse gang. En ja, we vonden de schacht wel degelijk, maar erin afdalen was onmogelijk. Een vergrendelde metalen plaat sloot de toegang af. In dat deksel was geen beweging te krijgen.  Ze hadden, zo moest ik constateren, ons fort afgepakt. Dat heet dan ook niet langer het fort van Napoleon. Da's nu Fort Napoleon van de horeca. 
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten