woensdag 2 januari 2013

Pijpen


Fellatio, zei hij, ik heb er nooit iets mee gehad. Ik begrijp ook niet wat anderen er zo leuk aan vinden.
De man had samen met mij de kerk verlaten en nu liepen we naast elkaar op het voetpad. Ik kende hem niet. Hij leek me een gewone man te zijn.
’t Is een kwestie van zelfbescherming denk ik. ’t Is me te gevaarlijk, zo’n vrouw die aan je zuigt, haar mond rond je pik… Haar tanden! Ik mag er niet aan denken. Ik heb het natuurlijk ook al eens voorgehad, zo’n vrouw die zich naar beneden manoeuvreert, goedbedoeld wellicht, dat zeg ik niet, maar… Er niet aan denken? Dat kan ik niet. Je ziet dat toch gebeuren. Je kunt toch niet de andere kant opkijken en doen alsof er niets aan de hand is… Er niet aan denken? Met die tanden?
Was het tegen mij dat hij het had? Ik keek om me heen om me ervan te vergewissen of er geen derde in 't spel was. Er was niemand. We hadden als eersten de dienst verlaten en het andere kerkvolk zat nog binnen. Ik vertraagde mijn pas en de man vertraagde eveneens. Ik stond stil en zo deed ook die man.
Met een vrouw weet je het nooit. Met een man trouwens evenmin. Het heeft niet per se iets met vrouwen te maken, begrijp me niet verkeerd. ’t Is me gewoon te kwetsbaar en trouwens… Daar dient een pik niet voor. De mijne toch niet.
Ik vreesde dat hij me er een vraag over zou stellen, dat hij naar mijn mening zou vragen, en ik zette mezelf weer in beweging. Prompt vervolgde ook hij zijn weg. Ik durfde hem niet meer aan te kijken.
Ik vraag me af of de mannen die daar zo hoog mee oplopen ooit de krant lezen. Je verneemt daar toch regelmatig iets over, over mannen die tijdens het pijpen hun pik afgebeten worden. Da’s ook logisch, want je bent op dat moment het kwetsbaarst, er is geen verweer mogelijk. Voor een vrouw is dat een buitenkans. En eens ze er de tanden ingezet heeft, laat ze natuurlijk niet meer los. Neen, dan gaat ze door tot de finish. Je mag erop slaan, het bloed mag eruit zeiken, je mag roepen en tieren, ophouden zal ze niet.
We waren aan de hoek gekomen. Zonder omkijken stak hij de straat over. Dit was mijn kans. Ik sloeg resoluut rechtsaf. Pas nadat ik er zeker van was dat hij me niet volgde, stopte ik. Ik zag hoe hij verder stapte; een gewone man, een kerkganger, een mens waarop niets aan te merken viel. Ik bleef kijken tot hij in de massa opgenomen was. Daarna ging ik naar huis waar ik een zeer kort verhaal schreef over een man die samen met mij de kerk verlaten had.
Flor Vandekerckhove

Een reactie plaatsen