maandag 9 september 2013

De tijd van Gustaaf Sorel


Het Vissersplein (ca.1930). Het is er bar, er loopt geen
mens op straat, de leegte kijkt uit op de kaai waarachter
de vissersvaartuigen liggen te wachten. De lucht voorspelt
niets dan onheil. Links boven laat een raam ons een naakte
vrouw zien. Het visserskwartier is ten eerste een buurt
waarin mensen nauwelijks geheimen kunnen hebben voor 

elkaar en ten tweede is er altijd de dreiging die uitgaat 
van de natuur.
De mooie zomer van 2013 leverde in Oostende ook een mooie tentoonstelling op. In de Venetiaanse gaanderijen toonde curator Xavier Tricot ons een chronologisch overzicht van Oostende in de internationale kunst. We zagen er schilderijen van Ensor, Spilliaert, Permeke en De Clerck.  En daarenboven ook van Turner, Heckel, Pignon, Gestel, Nussbaum en Campendonck, Kounellis, Raveel en De Cordier. Video’s, foto’s en films waren er van Dujourie, Antony en Storck.
Het was een beklijvende tentoonstelling, een gebeurtenis die in deze blog ongetwijfeld sporen zal nalaten.  Tegelijk ervoer ik er een tekort, maar dan een van het soort waar je niet meteen de vinger op kunt leggen. Ik miste een voor mij determinerend beeld (maar welk?) dat mij ooit (maar wanneer?) door een kunstenaar (maar door wie?) aangereikt was.
In afwachting dat het me zou invallen, liep ik nogmaals doorheen de tentoonstelling die een veelzijdig overzicht bood; niet alleen het mondaine, maar ook de wereld van de arbeid, niet alleen het mooie weer, maar ook het desolate, niet alleen de BCBG (bon chic bon genre), maar ook jan en alleman… Toch bleef ik iets missen, ook toen ik alweer op weg naar huis was.
De kwestie nestelde zich in mijn geest zoals een liedje dat doet; willens nillens dringt het zich aan je op, te pas en te onpas loop je het te neuriën, je slaagt er niet in het te bannen, ten lange leste word je er hoorndol van. Ik besloot dus wijselijk om er korte metten mee te maken, ik keerde op mijn stappen terug en schafte me de catalogus aan.
Thuis bladerde ik in de doorwrochte tekst van Tricot en stootte daarbij op een passage waarin een aantal Oostendse kunstenaars uit het midden van de vorige eeuw vermeld worden: Een begenadigde plek waar ze elkaar konden vinden was de kunstenaarskroeg La Chèvre folle, gelegen aan de oude toren van de in 1896 afgebrande Sint-Pieterskerk, gekend onder de naam “Peperbusse”.  Daar vonden elkaar o.a. Maurice Boel, Charly Drybergh, Lucien Guinotte, Etienne Elias, Jean Milo, Gerard Holmes, Gustaaf Sorel (…).’
De passage opent een deurtje naar een verre uithoek in mijn geheugen. Nu begin ik te zien wat ik in die mooie tentoonstelling gemist heb.  De herinneringen leiden me nu met vaste hand naar de Paulusstraat, en in die straat naar een sjofele galerie, het winkeltje van Louis die er in de jaren zeventig het werk van zijn vader verkoopt, schilderijen van Gustaaf Sorel.
Ik herinner me de schilderijtjes die daar in de etalage stonden.  Ze maakten grote indruk op me omdat ze getransponeerde, maar toch herkenbare beelden toonden van de straat waarin de galerie lag. Het kon haast niet anders: daar had Gustaaf Sorel ook gewoond.  (Dat was inderdaad ei zo na het geval, het galerietje had als huisnummer 61, de schilder had in 't huis nummer 59 gewoond; ook om de hoek, in de Kerkstaat, heeft Sorel gewoond, zo getuigt een tekst die daar op de gevel van het huis nr 46 aangebracht werd.) De schilder haalde er zijn inspiratie uit de buurt, de straat, de huizen en de mensen die er woonden.  De kunstenaar, niet toevallig een autodidact, leefde daar zelf ook te midden van zijn volk dat Michel de Ghelderode omschreef als ‘la curieuse tribu des gens de mer’.
In de jaren zeventig, toen ik voor die etalage stond, bood de Paulusstraat een desolate aanblik; een nauwe straat waarin buren niet erg veel belang aan privacy en etiquette mochten hechten. Je zag dat ook in het werk van Sorel, dat in die etalage stond, waarop nogal wat vensters te zien waren die me een ongegeneerde, voyeuristische, gefantaseerde blik in het leven van de buurtbewoners toonden. Kunstcriticus Jan Vercammen zag dat ook: ‘Vensters en deuren krijgen bij Gustaaf Sorel een overwegend picturale betekenis. Zijn huizen zijn overvloedig bewoond: het zijn huizen van mensen die trachten te leven of zich laten leven of geleefd worden, die het leven willen leiden of het ondergaan (…) Vaak zijn deuren en vensters schilderijen op zichzelf en soms krijgen ze het uitzicht van een affiche, waaruit heel wat af te lezen valt voor wie lijnen en kleuren lezen kan.’
De volkskundige auteur Omer Vilain heeft over die straat geschreven: ‘De Sint-Paulusstraat, in de volksmond kortweg de Paulusstraat genoemd, is volgens mij nog één van de laatste echte Oostendse straten. Ieder maal als ik door die straat wandel, valt het mij op dat er in die straat in de laatste vijftig jaar nog zoveel niet veranderd kan zijn. Het is een straat, op sommige plaatsen zo smal, dat men zeker gemakkelijk van de ene woning naar de andere kan binnenkijken en aldus het wel en wee van zijn overbuur kan meemaken zonder dat men het eigenlijk opzettelijk wil. Daar ziet men nog vensters die opengetrokken worden om tot de melkboer te roepen dat het “voor vandaag niet is”. Een echte volksstraat met weinig geschiedenis, en toch… Wie jaren in deze straat woonde was kunstschilder Gustaaf Sorel. (…) Het is één en al deze oude volksstraat dat uit tientallen van zijn schilderijen met duistere kleuren tot de verbeelding spreekt. Sorel is zeker steeds door de Sint-Paulusstraat geobsedeerd geweest en hij is dat gevoel als kunstenaar nooit ontrouw willen worden.’
Gustaaf Sorel (1905-1981)
Maar wat had ik in de Venetiaanse gaanderijen dan eigenlijk als een gemis aangevoeld? Waren er in die mooie zomertentoonstelling geen schilderijen van straten te zien? Werden er op die doeken geen vissers en vissersvrouwen getoond? Selecteerde de curator geen beelden van bedrijvigheid op de scheepswerven, de dokken en in de haven? Toch wel, dat alles was daar wel degelijk present.
Wat ik als een gemis aangevoeld had, oversteeg de tentoonstelling. In de Venetiaanse gaanderijen miste ik geen schilderij, maar wel een tijdsgeest. Die bestaat nu niet meer, maar die had ik wel ervaren toen ik in de jaren zeventig voor de etalage van dat galerietje stond. De ervaring zat diep opgeborgen in wat Freud misschien wel mijn onderbewuste zou noemen, maar inmiddels herinner ik me weer goed de tijd waarin een Oostendse kunstenaar, Gustaaf Sorel genaamd, organisch met zijn buurt verbonden bleef en toch universeel zinvol werk kon produceren; de tijd waarin een kunstenaar gewoon door zijn straat geïnspireerd werd, inspiratie die veertig jaar later nog altijd met verve op doek gezet werd. 
Heel de wereld is Parijs! Kent u deze uitdrukking? Hij wordt gebruikt door mensen die menen dat je het niet al te ver moet zoeken, dat je eigen stek evenveel te bieden heeft. Dat je zelf je eigen Parijs kunt maken, Gustaaf Sorel wist dat. 't Is trouwens van hem dat ik dat geleerd heb; jawel, in de jaren zeventig, kijkend door het raam van dat galerietje. En kijk mij hier nu zitten, in Bredene, in de wijk waar ik opgegroeid ben, kijkend door mijn eigen raam, schrijvend over mensen en dingen die me gemaakt hebben tot wat ik uiteindelijk geworden ben. En ook niet geworden ben natuurlijk.
Flor Vandekerckhove

Louis Sorel (redactie). Gustaaf Sorel, Zijn werk, zijn leven. 1978. Uitgegeven in eigen beheer. De citaten over Gustaaf Sorel komen uit dat boek.
Een reactie plaatsen