zaterdag 4 januari 2014

De herkerstening van Bredene


Bert Ruysschaert (1915-2000)
Na de Tweede Wereldoorlog nodigt de pastoor van Bredene-Sas de jonge onderwijzer Bert Ruysschaert uit voor een goed gesprek. Hij krijgt de opdracht om daar een jongensschool op te starten ‘bedoeld als een katholieke dam in de rode burcht’.  Ruysschaert stemt toe en hij engageert zich tegelijk in de gemeentepolitiek 'om te pogen op te tornen tegen de rode vloedgolf die Bredene overspoeld had.'  Het katholieke offensief was alomvattend. Zelfs een patersorde wordt naar Bredene gehaald: ‘Zij kregen de opdracht de rode Nukkerwijk te herkerstenen.’ Er liggen voorwaar spannende tijden in het verschiet.
Later, veel later, schrijft Ruysschaert zijn memoires over die periode. Zijn ‘Herinneringen uit de schoolstrijd te Bredene’ zijn in veel opzichten merkwaardig. Het werkje dateert uit de tijd van de stencilmachine, met alle gevolgen van dien. Maar hoe amateuristisch de bundel naar vorm en inhoud ook oogt, hij bevat tegelijk wel een schat aan informatie. Meer zelfs, Ruysschaert slaagt erin deze beruchte tijd weer op te roepen, een kleurrijke periode die veel oudere Bredenaars zich ongetwijfeld herinneren. Zelf heb ik die periode in mijn roman De Poldergeesten van Bredene verwerkt. Ruysschaert heet daarin Roesschaert. Een van zijn tegenspelers, de socialistische politica Germaine Vansteenste, luistert in dat boek naar de naam Hélène Wouters.
In 1948, bij de eerste na-oorlogse gemeenteraadsverkiezingen, lijden de katholieken in Bredene een verpletterende nederlaag. Dat komt mede doordat ze in gespreide slagorde naar de kiezer trekken, gevolg van tegenstellingen die tijdens de oorlog op scherp gesteld werden: ‘De nederlaag van de katholieken lag in de naweeën van collaboratie en repressie. Tegenstellingen tussen zwart en wit, die ik acht jaar later met eindeloos geduld en de nodige doortastendheid ten slotte kon oplossen.’
Ook bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1952 delven de katholieken het onderspit ‘vooral als het gevolg van de koningskwestie, waar zij toegegeven hadden aan het straatgeweld, en ook aan het niet oplossen van het repressievraagstuk.’
De memoires van een dorpspolitieker staan uiteraard vol pittige anekdoten waaraan de politieke folklore zo rijk is. ‘De kleine menselijke factoren speelden hun rol op een kleine gemeente, waar men elkaar te goed kent, beknibbelt, belastert en probeert in de vernieling te duwen.’ Wat dacht u van deze? ‘De katholieke partij met een scherts-figuur, Maurice Lams als kopman leed een smadelijke nederlaag. Maurice had nochtans reeds zijn ceremoniepak besteld en bekenden uitgenodigd om zijn burgemeesterschap te vieren. Hij had reeds optie genomen op een wagen, een luxe in die tijd.’
Ruysschaert is meer dan zomaar betrokken partij, hij komt hoe langer hoe meer centraal in de gebeurtenissen te staan. In 1954 vormen socialisten en liberalen een regering onder premier Achilles Van Acker. De zgn. Wet Collard luidt de periode van de schoolstrijd in. Het katholiek onderwijs gaat in ’t verzet en dat wordt in Bredene geleid door Ruysschaert. Met succes want ‘Bredene was na één jaar (…) niet alleen bekend maar ook berucht voor zijn schoolstrijd’.
De gemeente wordt radicaal doormidden gespleten. Enerzijds heb je de socialisten die zich rond het blad Onze actie groeperen. Daar tegenover staan de katholieken die De stem van Bredene uitgeven, titel die later veranderd wordt in Recht voor allen, zoals ook de katholieke partij in 1958 zal heten.
Ruysschaert heeft zich opgewerkt tot voorman en schrijft met verve het partijblaadje vol. Van zichzelf vindt hij dat hij dat goed doet: ‘”Onze actie”, het socialistische orgaan was veel minder goed opgesteld: veel te lange zinnen, omslachtige uiteenzettingen, niet recht op de man af. Onze titels echter kwamen dan ook als mokerslagen aan.’
De strijd gaat naar een hoogtepunt wanneer de gemeenteraadsverkiezingen van 1958 naderen. ‘Toen schreef “Onze actie” venijnig proza tegen de oorlogsburgemeester Oscar Poppe, die de laatste plaats innam op de anti-socialistische lijst “Recht voor allen”. “Poppe, wij weigeren met U te zetelen, er kleeft bloed aan Uw handen. Wij verlaten de gemeenteraad als gij verkozen wordt".’
Het antwoord van de antisocialisten volgt prompt. In een speciale editie van Recht voor Allen wordt een foto gepubliceerd van de socialistische Germaine Vansteenkiste, liggend in het koren, rug aan rug met een Duitse marinesoldaat. ‘En als de hetze tegen oorlogsburgemeester Poppe niet stopt publiceren wij nog foto’s.’
Dat waren nog eens tijden! Ruysschaert is er tijdens het schrijven van zijn memoires nog steeds trots op: ‘Ik ben er nog altijd van overtuigd dat wij grotendeels door onze pers de schoolstrijd wonnen.’
Naast de strijd om de pers was er ook de strijd om de straat. Ook daar ging het hard tegen onzacht. ‘De meest bewogen plaktocht was deze juist voor de nationale verkiezingen van 1958. Amedé Steen, loodgieter te Bredene-Duinen, gaf ons een schriftelijke toelating te plakken op een bunker, gelegen op een stuk grond dat zijn eigendom geworden was. Wij plakten de bunker vol. De socialisten kwamen na ons en overplakten alles. Toen wij wilden beginnen met opnieuw te overplakken, daagde de groep socialistische plakkers op. Het bleef niet bij schelden en roepen. Schepen Vermoortel gaf Oscar Vandenbroucke een duw en kreeg prompt een vuistslag terug op zijn oog. Gekloven wenkbrauw en een haakje erin. De deur van het autootje van Recht voor allen, werd brutaal toegeworpen. Oscar Vandenbroucke zat er met zijn vingers tussen. Oscar trok naar dokter Tack, die hem verzorgde, terwijl de plakploeg buiten de wacht hield. (…) Het ganse politiecorps van Bredene en twee rijkswachtkombi’s werden erbij gehaald. Kommissaris Verhelst las het toelatingsbewijs, gaf het terug en verklaarde plechtig: “Jongens, doe uw plicht”.’
Tijd om af te sluiten. Uiteraard met weer een anekdote: ‘De gebroeders Hans en Norbert Haeck behoorden elk bij een ander kamp. Hans stond bij de socialisten. Norbert bij ons. Hij was eens met beide voeten in een emmer pap terechtgekomen.’ Blijkbaar plakte dat spul toch niet genoeg opdat Norbert aan Ruysschaerts partij zou blijven kleven.
De partij van Ruysschaert? Na de verkiezingen van 1958 treedt hij af als voorzitter van de CVP: ‘en ik verliet de partij, zonder spijt, zonder wrok, zonder ruzie, maar totaal ontgoocheld. Ontgoocheld, niet alleen als Vlaamsbewuste, maar als Vlaamsstrijdende. (…) Het duurde zes jaar vooraleer ik een lidkaart nam van de Volksunie.’
Omdat de geestelijkheid hem niet volgt in zijn plan om in Bredene één grote katholieke lagere school te bouwen, met een lager middelbare afdeling, verlaat hij niet alleen de partij, maar ook het onderwijs en de gemeente. ‘Ik was niet volgzaam genoeg en stond te onafhankelijk tegenover de geestelijkheid’. Wanneer hij zijn memoires schrijft is van enige verbittering niets meer te merken: ‘Mijn werk op Bredene was niet nutteloos. Dit is nu mijn stelligste overtuiging.’
Flor Vandekerkhove

Bert Ruysschaert, Hard tegen onzacht, Herinneringen uit de schoolstrijd te Bredene (1954-1958). Het werk wordt uitgeleend in de Heemkring Ter Cuere.
Een reactie plaatsen