vrijdag 3 januari 2014

Hoe ik De Laatste Vuurtorenwachter geworden ben


De vuurtoren zoals Heman Dewit hem schiderde (zie http://hermandewit.blogspot.be.)
Toen de telefoon ging besefte ik meteen wat er gaande was. Mijn nummer was alleen maar bij het bureau bekend, het kon alleen maar vanuit dat bureau zijn dat iemand me belde.
De juffrouw was kort, zakelijk. De opdracht zou me voor onbepaalde tijd naar de kust brengen. Er was kost & inwoon en een behoorlijk loon aan verbonden.
Ik maakte er meteen werk van en trok de stad in om mijn papieren af te halen. Achter het raam zag ik de juffrouw zitten. Ik wuifde, zij wuifde niet terug. In het kantoor tekende ik het contract en de juffrouw gaf me nog mee dat mijn bestemming zich in Oostende bevond, en wel vlak naast de vuurtoren. Het zal daar ongetwijfeld goed toeven zijn, zei ze. Ja, antwoordde ik.
Ik nam de trein en daarna de kusttram tot aan de vismijn. De rest van het traject deed ik te voet. Het regende en ik voelde de ijzige noordenwind door mijn kleren waaien. Het werd me meteen duidelijk dat het daar alleen maar goed toeven is als je een warme trui aan hebt.
Op heel de kaai was maar één mens te zien. Man met pet. De waterdruppels verzamelden zich op die pet en vielen vervolgens als een watervalletje op zijn neus waar ze enige tijd stalagtietgewijze bleven hangen. Hij stond daar in de gietende regen naar het water in het dok te turen en deed verder niets. Toen ik hem passeerde keek hij niet eens op.
Het huis was 't laatste van de lange rij die op het dok uitkeek. Geen bel, maar de deur was niet op slot en ik liet mezelf binnen. Ik kwam in een oud stapelhuis terecht, riep hallo en liep intussen de trap op die me naar een sober bemeubeld appartement leidde.
Wat doet een mens in zo’n situatie? Hij doorloopt het gebouw, roept nu en dan hallo hallo, keert op zijn passen terug en bekijkt de formulieren nog eens. Ten langen leste belt hij het bureau op, waar niemand antwoordt.
Door het raam zag ik die ene man in ‘t water turen. Ik liep de kaai op, wilde vragen van wie dat huis was, maar kreeg er de gelegenheid niet toe. Zonder op te kijken zei hij: ‘Niemand gezien zeker?’ En zonder mijn antwoord af te wachten voegde hij eraan toe: ‘Ik zou maar weer naar binnen gaan, als ik u was.
Kwam het door zijn stem? In elk geval was het mij meteen duidelijk dat hij gelijk had. Ik moest gewoon doen wat me gevraagd werd. In afwachting dat mijn taak me duidelijk zou worden, kon ik in het huis alvast genieten van de kost & inwoon die in het contract beschreven stonden. De koelkast bleek inderdaad goed gevuld. Na het eten maakte ik het bed op en tegen alle verwachting in sliep ik daarna rustig de nacht rond.
’s Anderendaags zat er een brief in de bus, aan mij gericht, die ongeveer als volgt ging: Geachte heer, Uw taak bestaat erin te wachten. Zolang de opdracht duurt wordt U maandelijks de som van zoveel frank overhandigd. U moet daarvoor wel permanent aanwezig blijven. Levensmiddelen e.d. worden U door onze diensten bezorgd. Houd a.u.b. goed de vuurtoren in het oog. Hoogachtend, de juffrouw.
Dat is dan ook wat ik sindsdien doe. Elke nacht volg ik het vuurtorenlicht. Eerst nog achteloos, maar al gauw begint de stralenbundel me te interesseren en daarna zelfs te boeien. Ik heb het bed tot vlak tegen het raam geschoven. Van zodra het licht zich in beweging zet, vlei ik me neer en begin ik het ritme te volgen. Slapen doe ik pas nadat het vuurtorenlicht gedoofd is.
Overdag kijk ik naar die ene man die in ’t water staat te turen. Inmiddels heb ik hem een naam gegeven. De Laatste Waterwachter blijft doen wat hij al die tijd gedaan heeft. Wat me eerst onnuttig leek, is inmiddels een evidentie geworden. Waarom zou niemand het water in ’t oog houden? Heeft niet iedereen een taak in ’t leven? Wat mezelf betreft zie ik maar weinig verschil. Meer zelfs, ik voel me met de man verwant. Zijn wij niet degenen die daar een taak hebben, en wel als enigen?
Als enigen? Dat was lang zo, maar nu niet meer. Het was zo tot een oude lijnbus op de hoek stopte. De chauffeur bleef eerst nog rustig achter het stuur zitten. Twee uur later kwam er enige beweging in die mens. Nog een uur later stapte hij uit. Hij liep rond zijn bus, stapte weer in en daarna weer uit de bus en ging kordaat op de man af die honderd meter verder naar het water aan ’t turen was.
Die antwoordde niet op de vraag die de chauffeur hem niet eens had kunnen stellen. Ik zag het armgebaar waarmee hij de chauffeur weer naar zijn bus stuurde: ‘Niemand gezien zeker. Ik zou maar weer naar binnengaan als ik u was.’ De chauffeur keerde op zijn stappen terug, net zoals ik dat zoveel jaar eerder eveneens gedaan had. Hij werd De Laatste Mensenwachter. 
We zijn inmiddels een kwarteeuw verder. In de bus heeft hij het naar zijn zin gemaakt; tafel, bed, alles wat een mens voor de rest nog nodig heeft. Honderd meter verder staat De Laatste Waterwachter in het dok te staren. Ik weet dat De Laatste Mensenwachter me in ’t oog houdt, zoals ikzelf die twee op de kaai in ’t oog blijf houden. We spreken niet met elkaar, maar we zijn verenigd in dezelfde opdracht: het werk afmaken.
Binnenkort word ik vijfenzestig en ik ben blij dat ik nog altijd aan de slag kan. Mij krijgen ze er niet onder, want ik ben De Laatste Vuurtorenwachter. Mijn vriend De Laatste Mensenwachter geeft het ook niet op, en De Laatste Waterwachter hopelijk evenmin, want — kijk eindelijk eens met hem mee — het zeeniveau is nu toch wel vervaarlijk rap aan ’t stijgen.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen