woensdag 1 januari 2014

Ja, ik ben een soixante-huitard


65! Het pensioen lonkt.  Ik laat een leven achter me, een leven in de visserij; een leven dat ik een kwarteeuw lang gedeeld heb met een hele generatie die het uitzicht van de vissersgemeenschap sterk bepaald heeft. 
Ik was erbij toen de kapitalisten van de Zeebrugse Visveiling in 1988 hun eerste stappen in de sector zetten; ik heb gezien hoe een nieuwe generatie reders de oude garde aan de kant schoof… en hoe ook die generatie op haar beurt aan de kant geschoven werd.  Ik heb het begrip ‘maritieme cultuur’ zijn entree weten maken op de kaaien en ik heb er de tekortkomingen van blootgelegd. Ik heb goed toegekeken hoe een katholieke aalmoezenier zijn conservatieve bakens in die gemeenschap uitzette en ik was betrokken partij in het gevecht dat gevoerd moest worden om hem te verplichten een deel van het terrein weer af te staan. Ideologische constructies, zoals het overmatig benadrukken van de rol van het imago van de sector, heb ik onderuit gehaald en ik heb onderzocht wat er achter het muurtje van de zgn. ‘nadelige concurrentieverhoudingen’ van de reders ter zeevisserij verscholen ligt.  Ik heb de jo-jo-bewegingen gevolgd van einzelgänger en van natuurlijke leiders;  ook heb ik op- en neergang meegemaakt van de zelforganisatie van de wilde Oostendse bootjessjouwers; ik heb het embryo gezien van de zelforganisatie van schippers en matrozen op de grote boomkorvaartuigen, een vrucht die helaas niet levensvatbaar bleek te zijn en ik heb genoteerd hoe een nieuwe bureaucratie het terrein kon bezetten dat een uiterst conservatief visserijpatronaat braak had laten liggen.
Al die ontwikkelingen heb ik nauwkeurig in Het Visserijblad (HVB, later Het Vrije Visserijblad) beschreven en becommentarieerd. Zodoende heb ik van dat ‘onafhankelijk magazine van de zee’ een opinieblad gemaakt dat een ‘succès d’estime’ genoot bij een kleine kern van ‘zeezotten’ en dat de weerzin opriep van allen die zich door mijn geschrijf aangevallen voelden. En dat waren er niet weinig.
Hoe zou het anders kunnen?  In 1988 kwam ik in een gemeenschap terecht die vereenzelvigd werd met de Rederscentrale.  Het Informatieblad van die patroonsorganisatie was het absolute referentiepunt voor alles wat de visserij betrof.  Telkens het (toen nog veertiendaagse) tijdschrift in de bus viel, volgde in de pers een reeks afkooksels van wat ons als berichtgeving gepresenteerd werd.  Iets was ‘nieuws’ omdat het door de Rederscentrale tot nieuws verklaard werd.  Wat in dat blad niet besproken werd (en dat was nogal wat, zo viel het mij meteen op) werd evenmin vermeld in de pers.  De Rederscentrale bezat als ‘t ware het monopolie op een berichtgeving die naar eigen behoefte gemanipuleerd werd. 
Ik was geen journalist toen ik HVB in handen kreeg, maar ik was evenmin een onbeschreven blad. Ik was geen jongeling die pas van de schoolbanken kwam en die men om het even wat kon wijsmaken. Ik was ook geenszins van plan mijn opinies aan de kant te schuiven onder het mom van een verkeerd begrepen objectiviteit.
Ik had lang daarvoor al fundamentele levenskeuzes gemaakt die ik waardevol bevonden had en waarvan ik nooit meer wilde afstappen.  Zo had ik dik tien jaar eerder al de beslissing genomen nooit meer voor het kapitalisme te werken. Toen ik me op de visserijkaaien vestigde, heb ik dan ook tal van technieken aangewend — ongetwijfeld als ‘sociale spitstechnologie’ te omschrijven — die me de middelen gaven om tot aan mijn pensioen als een onafhankelijke journalist-schrijver door ’t leven te gaan.
Toen ik het roer van HVB in handen nam, had ik nog maar pas afscheid genomen van een langdurige militante praktijk in een uiterst links clubje.  Ik was er enkele maanden eerder, met slaande deuren, uit vertrokken. 
Hoe kijk ik nu, zoveel jaren later, terug op die activistische tijd; op die levensfase die mijn engagement in de vissersgemeenschap vooraf gegaan is en die mijn schriftuur ongetwijfeld getekend heeft?  Om daarop een antwoord te formuleren moet ik een fikse stap achteruit zetten.  Ik neem je daarom mee naar de jaren zestig, naar de sixties, de jaren van mijn jeugd, de wonderjaren waarin eerst niets en plots alles mogelijk leek. 
Ik beken, ik ben wat men vandaag neerbuigend een ‘soixante-huitard’ noemt. De term is een scheldwoord, maar dat zegt meer over de tijd waarin we vandaag leven dan over die jaren zelf.  Hoe dan ook, die jaren van revolte hebben mijn latere denken en handelen bepaald, en ze doen dat vandaag nog altijd. Ja, ik ben een kind van ’68!
Het is niet zo dat ik enige rol van betekenis in die gebeurtenissen gespeeld heb, maar ze zijn als het ware de deur geweest waardoor ik het leven ben binnengestapt. Tegelijk ben ik via die deur ook uìt een mogelijke toekomst gestapt; een, hoe moet ik ‘t noemen, kleinburgerlijke toekomst — de middenklasse weet je wel — waarvoor ik, zoals zoveel anderen uit mijn omgeving, in de wieg gelegd was.  Ik mag er niet aan denken wat er van mij zou geworden zijn als ik dat deurgat niet op mijn levensweg gevonden had. 
Ik ben opgegroeid in een milieu dat, naar de terminologie van de stripauteur Marten Toonder, een toch wel heel ‘klein denkraam’ had.  Daar heerste de schraapzucht en ik bedoel dat niet uitsluitend in materiële zin.  Ik verwijt dat die mensen niet.  Het milieu van mijn jeugd bestond vooral uit armoedzaaiers, openlijke en minder openlijke.  Daarenboven leefden al die armoelijders ook nog eens strikt van elkaar gescheiden. Je had deze van ’t Sas (werkvolk), die van ’t Dorp (keuters) en de vermeende commerciële elite van de Duinen, even goed armoedzaaiers. In die laatste wijk ben ik opgegroeid. 
Op de Duinen had je ook nog eens die van de wijk achter de Gentstraat (‘gepeupel’), die van Duinen- en Kapelstraat (commercie boven) en ten slotte de beter gesitueerden uit de zgn. villawijk waar de Davidsfondsideeën even kort geschoren waren als de gazons. Ik mag dat hier omwille van esthetische redenen allemaal een beetje aandikken, maar ik heb dat verleden ook beschreven in de roman ‘De Poldergeesten van Bredene’ en de oude Bredenaars hebben instemmend geknikt toen ze die passages lazen. 
De school waarin het broed van al die gescheiden geesten samen stroomde oversteeg dat particularisme in catechismuslessen die in mijn herinnering ’s morgens vroeg begonnen en tot tegen de middag duurden.  De zanglessen die we daarna kregen zorgden er dan weer voor dat we het nationalisme als een normale zaak gingen beschouwen. Tegen de tijd dat we de adolescentie bereikt hadden vonden we het goed dat monniken-ridders, na het kleppen van Klokke Roeland, te vierklauw uit Ter Doest weg galoppeerden om de valse Walen een kopje kleiner te maken, zodat Vlaanderen weer groots kon worden als weleer. We riepen om ter luidst: ‘Wat Wals is, vals is, sla dood!’ We waren toen twaalf! Dat was het soort leuzen waarmee we de puberteit introkken.
Maar opeens was daar mei ’68!  In Parijs (maar ook in Praag, Tokio, de universiteiten en de zwarte buurten van de USA, Berlijn, Dublin…) brak de revolte uit. Een hele generatie kwam in opstand.  Had de Nederlandse dichteres Henriette Roland Holst nog geleefd, dan had zij gezien hoe de jeugd haar vers  —‘Verdwijnt gij oude vormen en gedachten’ — in werkelijkheid probeerde om te zetten. 
Het is bekend: als het in Parijs regent, dan druppelt het in Brussel en een jaar later was die protestbeweging tot in Gent uitgedijd waar ik aan de universiteit economie zou studeren. Voor het eerst kreeg ik te maken met mensen die blijkbaar andere zaken aan hun hoofd hadden dan het al dan niet aantrekken van zondagse kleren.  De contestanten stelden niets minder dan de problemen van een vrije samenleving aan de orde.  In die beweging werd in eerste instantie geen politieke doctrine geuit, maar werden àlle politieke doctrines uitgedaagd.  ‘De macht’ werd in vraag gesteld en dat heeft ertoe geleid dat de vraag naar rechtvaardiging van macht en gezag een belangrijke plaats in mijn leven ging innemen.  Ook toen ik voor HVB ging schrijven, ook vandaag nog.
Nadat de spandoeken opgeborgen waren, leefde ik, tja hoe moet ik het noemen, een verscheurd leven dat filosofen wellicht met de term ‘vervreemding’ zouden omschrijven.  Enerzijds haalde ik nog vlug een diploma hoger onderwijs binnen, nog vlugger dan dat trouwde ik mijn lief; ik werd kader in ‘een KMO’, vader in een gezin en ik zag mezelf al als een veredelde middenstander de rit uitrijden.  Anderzijds had ik aan de voorbije revolte een vriendenkring overgehouden die zich nacht na nacht, in dikke rookwalmen, Duvel na Duvel, afvroeg waar het toch was misgelopen. 
Het is nog niet erg lang dat ik het ten volle besef, maar inmiddels weet ik het wel zeker: in de jaren zeventig heb ik een existentiële crisis doorworsteld. Ik moet die tijd onder de rubriek ‘sex, drugs & rock ‘n’ roll’ catalogeren, maar dan eerder bij de variante ervan uit la Flandre profonde: ‘seks, drank & tango slow’.  Ik ben er langzaam, en na veel zoeken, uitgeraakt door mij nog voor de jaren tachtig te engageren in een kleine, uiterst linkse, trotskistische beweging.
Wie zo’n engagement aankleeft wordt sterk uitgedaagd om zich te verantwoorden, meer nog ten opzichte van zichzelf dan ten aanzien van z’n omgeving.  Dat maakt dat je verplicht wordt je blik open te trekken.   Op den duur ga je onbekende, maar beklijvende films bekijken die alleen maar van een cultstatus genieten; je leest al eens een boek in een taal die je normaliter alleen maar kunt stamelen; je leert van muziek te houden die vroeger alleen maar slaapverwekkend leek…  Je komt in een intellectueel klimaat terecht dat nazindert lang nadat je dat extreme engagement achter je gelaten hebt. 
Het is in dat kleine linkse clubje dat ik o.a. Ernest Mandel (1923-1995) heb leren kennen, een intellectueel in alle betekenissen van het woord.  Hij doceerde aan de VUB, schreef dikke turven over economie, verplaatste zich als een kosmopoliet over de aardbol en gaf in Frankrijk lezingen in het Frans, in Spanje in het Spaans, in Portugal in het Portugees en in Vlaanderen in een Nederlands waarin veel andere talen sporen achtergelaten hadden.  Zowel in de toenmalige Sovjet-Unie als in de Verenigde Staten werd hij ongewenst verklaard.
Vraag is wat ik in de visserij heb kunnen aanvangen met de wijsheid die ik bij die mens en de zijnen gesprokkeld heb. In elk geval heb ik van hem geleerd dat een mens zich mag vergissen, en dat zo’n vergissing niet al te erg is als je daarbij de kant van de machteloze gekozen hebt.  Het is zelfs beter ongelijk te hebben met de machteloze dan gelijk te krijgen van de machtige.  Ik heb dit inzicht meegenomen in mijn journalistieke werk.
Dat is alleen maar op het eerste gezicht eigenaardig.  De meeste journalisten mogen dan al denken dat ze objectief berichten, de waarheid is natuurlijk dat ze niet bòven maar ìn de wereld staan waarover ze schrijven; dat ze in het bad zitten waarover ze hun artikels plegen en dat hun objectiviteit alleen maar vooringenomenheid is. 
Van Ernest Mandel ben ik dan weer afgeraakt door het lezen van de onderzoekingen van Noam Chomsky (°1928).  Deze Amerikaanse anarchist, nauwgezet criticus van de Amerikaanse staat en het bedrijfsleven, heeft me geleerd dat je geen ingewikkelde theorieën nodig hebt om de waarheid te achterhalen.  Iedereen die ophoudt met naar pakweg het Eurovisie Songfestival te kijken en zijn blik richt op de maatschappij waarin hij leeft kan begrijpen wat er echt gebeurt.
Invloeden van andere journalisten zijn er uiteraard ook geweest. Zo heb ik goed de woorden van BRT-journalist Maurice De Wilde (1924-1998) onthouden: ‘Als er één mening is dan moet je die laten horen, als er twee meningen zijn dan moet je die laten horen, als er drie meningen zijn dan moet je die laten horen…’.  Ook mijn meest fervente tegenstanders hebben in HVB meer dan hun zegje kunnen doen. Bovendien zal ik niet ontkennen dat de venijnige schrijfstijl van Pros Vandenberghe (1907-1984), een vorige uitgever van HVB, straffeloos aan mij voorbij gegaan is.
Gaandeweg leerde ik ook grote tegendraadse journalisten met wereldfaam kennen.  Ik ging de zgn. ‘muckrakers’ ontdekken, een historische groep moeilijke mensen, zoals William Thomas (1849-1912), zonder twijfel de beroemdste journalist ooit.  Berucht werd hij als hoofdredacteur van The Pall Mall Gazette.  Hij stelde zich niet tevreden met het braafjes registreren van wat door officiële instanties werd gezegd.  In sterk opiniërende artikels wilde hij sociale verandering promoten.  Hij introduceerde de headlines, de pakkende inleiding, het persoonlijke interview in een pers die vaak nog heel ambtelijke teksten afscheidde.  De New Journalism, de onderzoeksjournalistiek en De Vierde Macht waren geboren.  Aan Franse zijde werd ik dan weer beïnvloed door de meer dan honderd jaar geleden geboren romancier Paul Nizan (1905-1940) die in zijn kantenartikels, zachtjes uitgedrukt, de polemiek niet schuwde; een genre dat ik me, tot grote afschuw van de visserijbonzen, eigen gemaakt heb
Ook vandaag lopen er nog zo’n inspirerende figuren rond.  Erg beïnvloed ben ik bijvoorbeeld door Edwy Plenel, de vroegere directeur van Le Monde.  Hij schreef in 1994 een boek (‘Un temps de chien’) dat ik lang onder mijn hoofdkussen bewaard heb en waarin hij uitlegt hoe je je journalistieke integriteit moet bewaren — een journalist mag nooit de kompaan van de machtigen worden!  Bewondering heb ik ook voor de Australische journalist John Pilger die in 1999 ‘Hidden Agenda’s’ publiceerde, bijna zevenhonderd bladzijden verschrikkelijke gebeurtenissen waarover we nooit gehoord zouden hebben, ware het niet dat hij er zijn zaak van gemaakt had.
Veel heb ik in HVB bericht over zaken die op de kaaien niet te zien waren; niet te zien in alle betekenissen van het woord.  Omdat ze verdonkermaand werden; omdat ze zogezegd niets met de sector te maken hadden, omdat ze te onbelangrijk zouden zijn, omdat de mensen ze niet wilden zien… Ik schreef die stukken omdat de visserij geen eiland is.  Daarom ook mocht HVB evenmin rapporteur van gebeurtenissen op een eiland zijn.
Nooit heb ik me in mijn commentaren willen houden aan de grenzen die de sectortop dacht voor me te moeten trekken. Sommigen denken dat ik boosaardig ben. Anderen beweren dat ik het uit ‘frustratie’ doe. Ik hoop dat dit stuk duidelijk maakt dat er doelbewuste journalistieke keuzes aan mijn schrijverij ten grondslag liggen.  Het is immers niet omdat je een marginale plaats in de journalistiek (en in het leven) inneemt dat je je taak niet ernstig moet nemen.
Heeft dat uiteindelijk iets opgeleverd, al die onderzoeken, reportages, commentaren, opiniestukken, pamfletten, essays en polemieken?  In elk geval zal het voor vriend & vijand duidelijk zijn dat niemand de huidige Vlaamse visserij kan begrijpen zonder er de voorbije jaargangen van HVB op na te slaan.
En nu blijft u met een vraag zitten.  Waarom, zo vraagt u zich af, laat hij ons dit journalistieke testament lezen? Ja, waarom publiceer ik die memoires die u blijkbaar tot de laatste paragraaf gelezen hebt?  Ik doe ‘t omdat ik hoop dat ze in handen van jonge mensen vallen die de draad weer opnemen waar deze ouder wordende man hem nu aan het loslaten is.
Flor Vandekerckhove

Dit is een bewerkte versie van een tekst die in 2006 geschreven en gepubliceerd werd.

Een reactie plaatsen