zondag 9 maart 2014

Winnaar (verhalen uit het Sparrenbos 4)


Mijn ploeg, Groene Leeuw, had niet zo’n goede renners. En zelf was ik daar de slechtste van. Daardoor komt het dat ik al vlug weggepromoveerd werd: ik werd ploegleider. Zonder al teveel verwachtingen keek ik uit naar wat mijn kopmannen, Ivan Demulder en Freddy Decabooter, ervan zouden bakken. Niets dus. 
Oudere wielerfanaten zullen Demulder aan de Tour de France koppelen, maar mijn Ivan was helaas geen ronderenner. En wie bij Decabooter aan een sprinter denkt, moet weten dat mijn Freddy in die discipline kansloos was.
Toch heeft Freddy Decabooter een koers gewonnen, een bergrit. In die overwinning heeft Ivan Demulder een belangrijke rol gespeeld en, zo mag ik daaraan toevoegen, ook het tactisch inzicht van de ploegleider is daarbij van belang geweest.
De rit ging over het duin dat hier Sparrenbos heet. De eindmeet hadden we getrokken in de straat die, op ’t einde van dat duin, de Koninklijke Baan met de Kapelstraat verbindt. De bergrit ging van start ter hoogte van Frisco, u welbekend uit een verhaal dat ik eerder al in deze blog gepubliceerd heb.
Aan de koers namen nog andere ploegen deel. Er was Carpano waarvan Lucien Van Aerde de kopman was, en Faema met te duchten renners als Ivan Van Looy en zijn meesterknecht Erik Sorgeloos; er waren nog andere ploegen, maar daarvan ben ik de naam vergeten en er was tenslotte ook een restgroep van renners zonder contract die we bij de Duinensprinters ondergebracht hadden: Koenraad, Jeepee, Johny, Patrick… De lijst is verre van volledig, maar het betreft een zootje dat nog slechter was dan mijn groene leeuwen. Sommigen hadden zelfs geen fiets, zoals Roland, of ze moesten hem onder broers delen, zoals Jan en Paul.
De paden in het Sparrenbos zijn nauw. De renners moesten zich bij de start per twee opstellen. Daar had ik tactisch op ingespeeld door Freddy Decabooter en Ivan Demulder in alle vroegte de eerste plaatsen te laten innemen. Decabooter kreeg als opdracht zo rap mogelijk te rijden, wat logisch lijkt, maar het tactische vernuft zat elders: Demulder zou zich in zijn wiel plaatsen en al zigzaggend beletten dat andere renners hem konden passeren.
Zelf was ik de renners voorgereden — Rodaniaaaa — en vanaf een duintop sloeg ik het wedstrijdverloop gaande. Freddy Decabooter kweet zich voorbeeldig van zijn taak. Met een hoofd dat, rood van de inspanning, van verre op een pompoen leek, smeet hij zich in het Sparrenbos. Hij trapte en trapte alsof het een langgerekte sprint was. Achter hem deed Ivan Demulder valselijk alsof hij alle moeite had om zijn stuur recht te houden en er ontstond meteen een kloof.
Met doodsverachting smeet Freddy Decabooter zich uiteindelijk het grootste duin af, stekerecht in de diepte die we als de duivelsput kenden. Hij deed het zo vlug dat ik het ergste vreesde, maar als bij wonder bleef hij recht. Na dat duin was het wel op, en met lood in de schoenen alsmede met verzuurde kuiten liet Freddy Decabooter zich tot aan de eindstreep uitbollen. Ver achter hem hoorde ik gevloek en tandengeknars van degenen die tevergeefs probeerden voorbij een zowel zwalkende als zwalpende Ivan Demulder te geraken. Freddy Decabooter won zijn eerste en enige wedstrijd.
Ik herinner me dat ik aan de meet stond te juichen en riep: ‘Freddyke, Freddyke wa doede nu?’ Een ongecontroleerde uitroep van vreugde die later, zij het in een licht gewijzigde versie (*), bekend geraakt is door de sportreporter Michel Wuyts.  Maar ik was eerst.
Flor Vandekerckhove

(*) Tommeke, Tommeke, wa doede nu?
Een reactie posten