woensdag 26 oktober 2016

Jonas en de walvis

—  Dit verhaal werd geïnspireerd door een beeldhouwwerk van Leo Geurtjens. Het werd in 1965 op de Muntelbrug in ’s Hertogenbosch geplaatst en verbeeldt de Bijbelse figuur Jonas die als een nieuw mens uitgespuwd wordt door de walvis. —

Haar echtgenoot zal dat nooit goedvinden, zegt ze, maar ze weet ook niet hoe ze anders in dat stormweer thuis kan geraken. Ze rijdt mee met Jonas in zijn deux chevaux. 
Rukwinden schudden het autootje hevig door elkaar. De vrouw weegt honderdvijftig, Jonas nauwelijks de helft. Om onderweg niet op haar te vallen heeft hij zich stevig vastgegespt. Zo ment hij moeizaam zijn twee paarden door de nachtelijke straten van Den Bosch, naar haar woning, waar ze wellicht opgewacht wordt door een echtgenoot die dat nooit zal goedvinden.
In een achterbuurt laat ze Jonas stoppen. Ze zegt dat ze daar woont en nodigt hem uit om binnen nog een koffie te drinken. Daar voegt ze wel aan toe dat haar echtgenoot dat nooit zal goedvinden.
De storm neemt in kracht nog toe. Hij moet nu echt naar huis. Jonas zegt haar dat, maar hij zegt ook dat hij wel zin heeft in die koffie. Terwijl hij zich stevig aan haar vastklampt om niet door winden weggerukt te worden, steken ze de straat over.
In de achterkeuken zit Jonas aan tafel, tegenover de dikke vrouw. Ze drinken koffie. Buiten giert de wind en hij giert ook een beetje binnen. Ze spreken op gedempte toon, om de kwaaie echtgenoot niet te wekken.
Dat lukt niet meer als ze samen op gedempte toon een drinklied aanheffen. Het kraken van het echtelijke bed vervoegt het kraken van het huis. Bij het gedonder van het onweer voegt zich het gedonder van de zware stappen waarmee de echtgenoot de trap afdaalt.
Jonas merkt de paniek op in de ogen van de dikke vrouw. In een reflex van zelfbehoud kruipt hij onder de keukentafel. Het gieren van de echtelieden vervoegt het gieren van de wind. Al dat gegier is er voor Jonas te veel aan. Onder de keukentafel baant hij zich, tussen de benen van de vrouw door, een weg naar haar kut die hem meteen opslorpt. (Alle geluid, dat nog van verre sprak verstierf — de wind, de wolken, alles gaat al zachter en zachter — alles wordt zo stil.)
Jonas is verzwolgen, maar de dikke vrouw bevalt diezelfde nacht nog van een jongen die ze Jonas noemt. Jonas is nu een boreling, maar tegelijk blijft hij een man op leeftijd die de straat op rent en daar de zweep legt op zijn deux chevaux. Hij ijlt ermee naar huis en verwittigt de zijnen er nog net op tijd van dat het einde van het kapitalisme nabij is.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen