woensdag 6 juni 2012

Snijders lezen op de Mont Floran

A.L. Snijders
Elk jaar trek ik erop uit, weg, naar Frankrijk, alwaar ik aan het einde van de rit, 1100 kilometer ver, tot rust kom op een berg. Altijd dezelfde reis. Altijd dezelfde berg. Waardoor ik die berg de mijne noem, le Mont Floran. Verkeerdelijk natuurlijk, want die berg heeft geen Franse naam en heet gewoon Puèg del Borion. (Puèg spreek je uit als piëche; borion is een verkleinwoord van bòria, hoeve). We bevinden ons in de Languedoc alwaar de dingen Occitaans zijn.
Op die berg heb ik een huisje overgehouden uit de tijd dat ik jong & dynamisch was en de koterijen op de Puèg del Borion dermate goedkoop waren dat zelfs ik er een kon kopen. Daar trek ik nu jaarlijks heen, mijn reisweerzin overwinnend omdat een reis naar je eigen huis nauwelijks zo genoemd mag worden. 
Aldaar aangekomen doe ik niets. Dat is overigens niet helemaal waar. Ik doe wel iets, zij het niet veel, en 't is daardoor dat een mens tot rust komt.
Elk jaar is ’t weer hetzelfde en elk jaar is het ook weer anders. Er is een jaar geweest dat het op le Mont Floran zo koud was dat ik alleen maar het bed uitkwam om hout te zoeken, te kappen en te stoken, waarna ik met kleren en al weer in bed dook. Het daaropvolgende jaar heb ik in ’t huisje enkele deuren geplaatst. Er was een jaar waarin ik op de radio avond na avond naar de Ring des Nibelungen van Wagner geluisterd heb, negentien uur muziek met teksten in een taal die ik niet begrijp, voorafgegaan door inleidingen in een andere taal die ik evenmin begrijp. Achteraf heb ik de betreffende CD’s gekocht om er nooit meer naar te luisteren. 
Onvergetelijk is ook het Jaar van de Slang! Sindsdien komt er nog maar weinig volk op bezoek. Er is een jaar geweest dat ik vanaf de Mont Floran een uitstap naar Lourdes ondernomen heb. Sindsdien ben ik een atheïstische liefhebber van die stad geworden, ook omdat ik er getuige geweest ben van menig mirakel. Er is een jaar geweest dat mijn auto er onderweg de brui aan gaf en sindsdien heb ik geen wagen meer en daardoor geld te over. Ja, dat zijn ferme avonturen, maar meestal gebeurt er niets.
Ik zit naast de stoof, onder de lamp, drink koffie, lees een boek met zeer korte verhalen van A.L. Snijders en verkneukel me, want hij schrijft dat er niets mooiers bestaat dan lezen onder de lamp.  Snijders heeft gelijk, maar niet helemaal. Hij had moeten schrijven: er bestaat niets mooiers dan lezen onder de lamp in een huisje op de flank van le Mont Floran. 
Hij schrijft wel meer waarin ik me verkneukel. Over de dadaïstische schilder Picabia bijvoorbeeld vertelt hij een anekdote. Deze ‘Picabia gaf journalisten geld als ze hem noemden in hun artikelen, de context deed er niet toe. Daarom verschenen er in Parijse kranten dikwijls verslagen van branden of opstootjes, waarin je lezen kon: Onder de toeschouwers bevond zich de heer Picabia.’
Het is waarschijnlijk nog waar ook, alhoewel je daar bij Snijders niet al te zeker mag van zijn. Zo schrijft hij ook: ‘Richard Appleby citeert in zijn boek Voyage and Painting een negentiende-eeuwse Engelse schilder die de Nijl opvoer tot de vierde cataract: “Wat ze zeggen over mijn schilderijen interesseert me niets, of de boot niet omslaat, daar gaat het om”.’ 
Snijders schreef dat in een krantenstukje en daar moesten de lezers het mee doen. Maar in het boek dat de stukjes bundelt, wordt bij elke column ook een ‘brief aan de hoofdredacteur’ gevoegd en daarin deelt Snijders mee dat Richard Appleby niet bestaat, het boek Voyage and Painting evenmin en dat hij het woord cataract gebruikt heeft omdat hij vond dat het eens in de krant moest staan.
Snijders is een heel andere mens dan ik, maar hij is toch een man van mijn hart. Hij heeft me een vers van Richard Minne leren kennen waarmee ik het alleen maar eens kan zijn: ‘veracht de burgerman, / doch ledig zijne kruiken.’ Hij schrijft over de vierkante meter van zijn bestaan. Hij hanteert een levensfilosofie die her en der nauw bij de mijne aanleunt. Hij is bijvoorbeeld zeer tegen religie. Hij is pro ‘nutteloze’ dingen, zoals het reciteren uit Het huwelijk van Willem Elsschot, iets wat ik ook graag doe. Hij idealiseert het heremietleven en hij zegt alleen maar van mensen te houden wanneer ze in een hol wonen waar ze niet uitkomen.
Voor de rest probeer ik, eveneens à la Snijders, de werkelijkheid op een scheve manier trouw te blijven. Het is valavond en de Franse buren eten samen aan een lange tafel die op straat staat. Les copains d’abord. Lampions en vleermuizen. Du pain, du vin, du Boursin. Veel tralala en ook paddenstoelen die cèpes heten. Zelf blijf ik in mijn hol zitten en kom er niet uit. Snijders zou dat ongetwijfeld appreciëren.
Flor Vandekerckhove

A.L. Snijders, Heimelijke vreugde 1, 2007 Uitgeverij Thomas Rap. ISBN 90 6005 7070.


Een reactie plaatsen