zaterdag 22 december 2012

Kerstrozen op de scheepswerf, een kerstverhaal


Het werk was moordend. De wind waaide vrij door de loodsen. Het ijzer was zwaar, stomp en koud. Hoe meer ik de dingen aaneenlaste, hoe losser ze kwamen te zitten. Hoe meer ik brandde, hoe meer vonken er in het rond vlogen. Gloeiende splinters kropen in mijn schoenen en brandden er mijn voeten kapot. Ik had niet één paar gave sokken over. Mijn vingers deden pijn, mijn armen deden pijn, mijn hoofd deed pijn, mijn hele lijf schreeuwde het uit van miserie en het ergste was dat het allemaal geen zoden aan de dijk bracht. Doffe ellende.
Die 24ste december fietste ik weer naar ‘t werk. In een plastic zakje zat mijn middageten. Koude aardappelen, koude groenten, koud vlees. Overschotjes. Aan de overkant van het dok zag ik de werf liggen. Over één kwartier zou ik in dat gat verdwijnen. Over het water hing een smerige nevel, her en der zag ik ijsschotsen drijven. Op nauwelijks een meter van mij raasden de auto’s. Heel de stad was één stinkend, kankerverwekkend nest geworden.
Ik stapte het zwarte gat binnen. De geur van afgetapte olie en roestend ijzer baande zich een weg naar mijn hersenen. Hoe had ik het ooit in mijn hoofd gekregen hier te komen werken? ‘Kom mee’, zei de baas. Aan de poort stond een kleine laspost die ik naar een aak moest dragen. De baas en ik daalden het ruim in. Beneden stond een schipper. Hij was kwaad. Het duurde hem allemaal veel te lang. De baas legde mij het werk uit. Of ik het begrepen had? De schipper keek me kwaad aan. De patroon keek bedroefd. ‘Ja,’ zei ik, ‘ik snap het.’ Ik begreep er niets van.
Ze gingen weg. Ik keek rond. Waarmee zou ik beginnen? Wat moest ik doen? Ik verliet het ruim.  De vrieslucht was een verademing. Ik liep op de smalle rand tussen de kajuit en de kaai en hield me stevig vast om niet in het water te sukkelen. Terwijl ik naast de kajuit liep, zag ik door de raampjes de schippersvrouw. Ze was jong. Vijfendertig, hooguit veertig.  Niet overdreven mooi, maar toch te mooi voor zo’n dikke schipper.  Toen ik voorbij het deurtje kwam, riep ze me binnen.  ‘Hoi jongen,’ riep ze, ‘kom me eens helpen.’ Eigenlijk had ik geen tijd te verliezen. Maar tegelijk moest ik tijd zien te winnen. Nadenken. Op een idee komen. Ik ging binnen.
Nooit had ik een kajuit gezien die getuigde van goede smaak. Maar deze tartte alle verbeelding. Beeldjes en napjes.  (Onder elk beeldje past een napje.)  Alsof het niet genoeg was, stond er ook nog een kerstboom en een stal met wel dertig herders. Ik keek naar de vrouw. Ze mocht niet lelijk zijn, smaak had ze niet. Ze had een nachtkleed aan. Het kon gemaakt zijn van een oud overgordijn. Bloemenmotief. Grote kerstrozen. Onder het nachtkleed droeg ze niets. Dat kon je zien, want het ding was bovenaan half open en je zag haar  borsten wiebelen.
‘Mooie jongen, kan je me helpen die kast te verzetten?’ Ha. Een houvast. Als de schipper me zou vragen hoe het kwam dat het werk nog geen millimeter opgeschoten was, had ik een antwoord klaar, een alibi. Ja kijk, ik kan toch niet alles tegelijk doen. Ofwel organiseer ik een verhuizing, ofwel brand ik gaten in de scheepswand. Het is het één of ’t is ‘t ander.
Samen met de schippersvrouw begon ik de kast te tillen. Zware eik. Ik trok me bijna een beroerte.  Ik liep rood aan, keek vertwijfeld naar de vrouw die aan de andere kant van de kast stond te duwen.
En toen gebeurde het.  Ze keek me recht in de ogen. Haar overgordijn was helemaal opengevallen. Ook zij was helemaal rood aangelopen. Maar dat kwam niet door dat duwen. Haar witte borsten staken schril af tegen haar vuurrode gezicht. Ik schrok en begon vlug weer aan de kast te trekken. Het ding bewoog niet. Ik kon niet meer. ‘Wacht,’ zei ze. ‘Wacht. We zullen het anders doen.’ Ze knoopte slordig haar draperie dicht en schonk zichzelf een kop koffie in. ‘Ik zal je een neutje geven,’ zegde ze. ‘Daar doe je krachten van op.’
Ik wilde rechtstaan, maar er schoot iets in mijn rug.  Ik probeerde overeind te komen. Het ging niet. Ik had me een breuk getrokken en raakte niet meer overeind. Helemaal voorovergebogen strompelde ik tot bij de sofa. Traag legde ik me op mijn zij. Ik geraakte niet meer recht.
‘Pijn?’ vroeg ze, vanachter haar koffie. ‘Heb je je verwond, jongen?’ Ze kwam op me af. Voor haar ogen was een waas. Bij elke stap die ze dichter zette, viel haar japon een beetje meer open. Ik lag schuin op die zetel en kon me niet bewegen. Vlak voor mijn ogen zag ik alles gebeuren. De kerstrozen weken en maakten plaats voor haar witte lichaam. Ze toonde haar borsten, haar buik, haar dijen. Ze liet haar kamerjapon op de grond vallen. Ik lag op die zetel en kon niet bewegen. ‘Wacht.’ Zei ze. ‘Ik zal je helpen.’ Haar stem klonk schor. Ze ging vlak voor me op haar knieën zitten en begon aan de rits van mijn overall te friemelen. Help!  Niet nu, Zeker niet hier, in de kajuit van een dikke, kwaaie schipper. En de deur stond open. En iedereen kon zomaar door die ramen kijken. Handig was ze wel. In minder dan geen tijd had ze mijn rits open, haalde mijn pik uit en begon hem te kussen. Ik lag daar godverdomme als een gehandicapte en zij behandelde me als een stier. 
Opeens hoorde ik gerommel. In een mum van tijd had de vrouw haar draperieën weer omgesjord. Ik bleef daar in de zetel liggen, met een klein, maar heel bloot piemeltje.
 ‘Wat ben jij hier godverdomme met mijn vrouw aan het uitspoken? Wie denk jij wel dat je bent? Ik zal je smoel kapotslaan, stuk onbenul. Denk je dat ik hier 40 euro per uur betaal om je mijn vrouw te laten neuken?’ De schipper nam één van de lelijke beeldjes en keilde het naar mijn hoofd. Het trof me vlak boven mijn oog. Het bloed zeikte uit mijn wenkbrauw. Hij koos een groter beeld. Zijn vrouw probeerde hem tegen te houden. Ik liet me uit de sofa vallen en kroop op handen en voeten door de kajuit naar het trapje. ‘Hier! Ik zal je leren. Ik maak je kapot!’ Het tweede beeldje miste doel, het ging door het deurgat en ik hoorde het tegen de kaaimuur kapot knallen. Achter mij was er groot gestommel. De vrouw schreeuwde. De man schreeuwde.  Het ene woord bracht het andere mee. Moeizaam kroop ik de passerelle op. 
Boven veegde ik met mijn mouw het bloed weg dat me het zicht belemmerde. Ik zag de kaai vol mannen staan. Elkeen had het werk neergelegd om naar het spektakel te komen kijken.
Ik stond daar, gebogen als een knipmes, te bloeden als een varken. Met de grootste moeite beklom ik de passerelle.  Gebogen als een hyperbultenaar liep ik de kaai op. In de poort stond de baas. We passeerden elkaar en we zegden geen woord. Gekromd sukkelde ik naar mijn fiets. Ik legde die heel schuin, zodat ik erop kon stappen. Ik trok me op gang en op een sukkeldrafje reed ik de kaai af. Kerstavond begon al over de haven te vallen. Toen brak mijn fietsketting. En mijn val was geweldig.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen