zaterdag 13 april 2013

Ko den duivel van Breninge


De Hellepoort van de beeldhouwer Rodin.Het werk werd nimmer
voltooid. Rodin werkte eraan tot zijn dood in 1917.
We bevinden ons in Dudzele, ten huize van een boerenmeid van 74 jaar, wier grootvader in Bredene gewoond heeft. Zij vertelt een wonderlijk verhaal en ze doet het in haar eigen woorden. 
‘Ko zat zonder werk en hij ging achter werk zoeken. Langs de weg kwam hij een feteure tegen en Ko ging uit de weg.
- Ge ziet er zo triestig uit, zei dien here die in de feteure zat.
- Zou ’t anders kunnen, zei Ko, ‘k Zoek werk en k vind er gene.
- Wil je bij mij werken? Vroeg dien here.
- Ba ja’k zei Ko. En hij kreeg een schone heure en eten en drinken. Maar hij moest tekenen voor vijf jaar.
Ko was vijf jaar weg en als hij were kwam moest hij vertellen waar hij geweest was.
- Ik was daar in een kurieus schoon kasteel, zei Ko, ‘k Had goed eten en drinken en ‘k moest maar juiste de mensen binnenlaten.
Dat kasteel waar dat Ko portier was, dat was d’ helle. En had hij binnen die vijf jaar moeten doodgaan Ko had voor Pietje geweest.’
Ik vind die getuigenis in een editie van Biekorf. (1) Dat tijdschrift is, zo vermeldt de kaft, ‘een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen’. Het werd in 1890 gesticht door Guido Gezelle en bestaat nog steeds.
Zelf dacht ik dat Bredene met deze Ko over een unicum beschikte, de enige levende mens die ter helle voer en daar nog van terugkwam ook. Mijn vermoeden bleek op onwetendheid te berusten, want op het alwetende internet viel mijn oog daarna op een Duits boek over vertelcultuur. (2)  Ook in dat boek wordt er over Ko den duivel van Breninge geschreven. Maar onze Ko blijkt geenszins uniek te zijn. De auteur heeft weet van wel vijftien varianten. 
Een 65-jarige vrouw uit Denderleeuw vertelt een gelijkaardig verhaal.  Ook in Lede en Denderbelle zijn mensen over en weer ter helle gevaren. In 1922 vertelt een vrouw uit Noord-Frankrijk van ‘De Portier van de Helle’.  In 1958 meent iemand het zeker te weten: ‘Duivelsportier van de hel is een jongen uit Koekelare’. En wat dacht je van deze? Een 80-jarige boerin uit Watou vertelt in 1965 over een jongen die naar de hel verwenst werd en na drie jaar terugkwam.
Ko van Breninge mocht daar volgens de boerenmeid goed zijn brood verdiend hebben, maar een 79-jarige landarbeider uit Tiegem weet dat er een reukje aan het geld zat: ‘Hellejongen verdient veel geld dat ander geld doet branden.’ Een verhaal dat me enigszins aan de gewezen politicus Frank Vandenbroucke laat denken.
Een echtpaar uit Koekelare heeft weet van een hellejongen die door zijn vader voor een jaar aan de duivel verkocht werd, iemand anders meent dat het de stiefmoeder was die de koop sloot.  Een vader uit Werken blijkt iets soortgelijks gedaan te hebben en ook in Opgrimbie werd zo’n getuigenis opgetekend. En ja, hier en daar blijkt die jongen eveneens Ko te heten.
Waarmee Bredene voor mij weer een beetje meer onttoverd werd dan het al was.  Treurnis vulde mijn gemoed en ik besloot de beker tot de droesem te ledigen. Het werd een queeste. Waar was het dat de echte Ko destijds woonde?  Was het in Bredene, Koekelare, Tiegem of Frans-Vlaanderen?  Opnieuw drong ik het internet binnen. Ik ging dieper en dieper en voelde aan de toenemende hitte dat ik de oplossing naderde. Op een site die legenden uit het Wijnendalebos bundelt (3), las ik een samenvatting van De hellejongen, een verhaal van Karel de Gheldere (1839-1913): ‘Een jongen woonde bij zijn stiefmoeder, hij kon haar aanwezigheid nauwelijks verdragen. Hij verliet met zijn vader het huis op zoek naar werk. Na een tijdje bereikten ze Wijnendalebos. Een ridder, die in werkelijkheid de duivel was, kwam op hun pad. Hij vertelde een dienstknecht te zoeken. Na wat gepraat trok de jongen bij hem in dienst. Zo werd hij gedurende 3 jaar portier van de hel. Na deze tijd keerde hij terug naar zijn dorp en vertelde er zijn wedervaren.’
De Gheldere beschrijft de legende in zijn werk ‘Landliederen’ (1883). De auteur was geneesheer in Koekelare en daar meende men zeker te weten dat Ko op de Koekelareberg of Belhutteberg het levenslicht zag.
De volkskundige professor Stefaan Top voegt er een uitleg aan toe (4): ‘Dit gedicht bevat allerlei traditionele legende-elementen, wat bewijst dat de auteur bekend was met het populaire verhaalcultuur van zijn tijd. Deze legende werd vrij goed bekend in Koekelare, waar wordt gezegd dat het in de omgeving heeft plaatsgevonden rond 1820. Het verhaal is bekend, zelfs in andere delen van Vlaanderen (…).’ En ja, dus ook in Bredene.
Flor Vandekerckhove

(1) Biekorf, 58ste jaar, nr 10, 1957. p.300.
(2) Walter De Gruyter, Erzählkultur: ‪Beiträge zur kulturwissenschaftlichen Erzählforschung : Hans-Jörg Uther zum 65. Geburtstag‬, 2009. 540 ps.
(4) Stefaan Top. The Hell Boy: A Flemish Devil Legend as Case Study Concerning Literacy versus Orality. (http://www.volkskunde.be/index.php?action=page&group_id=20000041&lang=NL)

Een reactie plaatsen