donderdag 4 april 2013

Volksverhalen uit Bredene


Terwijl ik destijds stof aan ’t garen was om er mijn roman De Poldergeesten van Bredene mee te vullen, viel mijn oog op het vreemde verhaal van een Bredenaar die naar de naam Ko luisterde. Hij zou de enige mens zijn die levend ter helle gevaren is. Meer zelfs, hij is er ook levend van teruggekomen!  En jawel, hij woonde alhier aan de Blauwe Sluis.  Het staat geschreven en gedrukt in het boek Volksverhalen uit Oost- en West-Vlaanderen. 
Als de term ervaringsdeskundige enige betekenis heeft, dan geldt dat zeker voor deze Ko.  Zo’n mens moet tijdens zijn hellevaart ontiegelijk veel verhalen gesprokkeld hebben.  Helaas zijn die niet ter ore gekomen van de samenstellers, want ik vind verder in die bundel geen enkele andere volkse vertelling over / door een Bredenaar.
Misschien, zo denkt een mens vervolgens, brengt het internet soelaas.  Na enig googelen stoot ik op de Vlaamse Volksverhalenbank.  Ik duik er midden in en mijn scherm vult zich met 29 steekkaarten, werk van studenten die daarvoor in 1958 en 1967 naar Bredene gekomen zijn. Neen, het verhaal van Ko staat daar niet bij. Maar wel veel andere die ons leren dat het leven in Bredene destijds niet gemakkelijk was.
Neem nu de jonge timmerman die behekst werd door de vrouw van zijn voorganger: Wanneer de jongen een plank had vast getimmerd, kwam ze even later weer los. De onderpastoor heeft de jonge timmerman negen dagen lang overlezen.’
Negen dagen overlezen is lang, maar niet onnodig, want behekst werden Bredenaars soms al van in de wieg. Zo wist iemand in 1958 aan zo’n student te vertellen dat er in Bredene een kindje behekst werd nadat het van een buurvrouw een kusje gekregen had. Het kind kreeg ‘de oude man’, een volkse benaming voor rachitis, ook wel ‘Engelse ziekte’ genoemd omdat ze in de achttiende en negentiende eeuw in Londense industriegebieden frequent voorkwam. Rachitis wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamine D en calcium. Meest opvallende symptomen: verkromming van ledematen door spierspanning; een groot rechthoekig hoofd; een kielvormige borst; kromming van de benen; kromming van de ruggengraat.
Hoe het dat kind vervolgens vergaan is, wordt niet verteld. Misschien heeft het de ziekte overleefd en is het, eens volwassen, krom zoals het was, ter helle gevaren. Het blijft gissen.  Want we treffen wel meer Bredenaars aan op ongezellige plaatsen. Ook in 1958 vertelt een informant dat zijn vader ooit ongewild op het kerkhof beland is ‘omdat de waternekker hem had doen verdwalen’. De waternekker!
Wie thuis bleef moest de waternekker niet vrezen. Daar moest je alleen maar goed op de kachel letten. Dat gold zeker als je deel uitmaakte van een vissersgezin. Geklop in de kachel wees immers op de dood. Dat werd in 1896 bewezen toen een Bredens koppel zo’n geklop hoorde. Later bleek dat de zoon acht dagen eerder verdronken was.
Met het bezorgen van zo’n boodschappen moest je oppassen, want dat kon kwalijke gevolgen hebben. Een zwangere vrouw had horen zeggen dat het schip waarop haar man aan boord was, met man een muis vergaan zou zijn. Van angst beviel de vrouw van een doodgeboren kind. Neen, dan reageerde een andere vrouw uit ’t Dorp wel efficiënter.  Zij had een sleutel in een kerkboek gestoken opdat de vissers veilig zouden terugkeren.
Wie geen zin had om sleutels in kerkboeken te steken kon op bedevaart naar de Visserskapel trekken. Het verhaal van dat kapelletje luidt volgens een student als volgt: ‘Bij de duinen van Bredene lag een Mariabeeld. Men zette het beeld in het kapelletje dat ter ere van Onze Lieve Vrouw was gebouwd. Op een dag haalde de pastoor het Mariabeeld uit de kapel en zette het in de kerk. De volgende ochtend stond het Mariabeeld vreemd genoeg opnieuw in het kapelletje.’ Een beetje kort door de bocht is ’t, zoals ’t daar staat. Kan dat beeldje daar niet door de waternekker gelegd zijn?
Correct beschreven lijkt ons het volgende: ‘Een visser had tijdens een storm beloofd dat hij een grote kaars naar het kapelletje van Bredene zou brengen als hij veilig mocht thuiskomen. Toen de visser thuis was, besloot hij uit gierigheid toch maar een klein kaarsje te laten branden. Eén van de jongens die op het schip werkte en dus alles had gehoord, verborg zich achter een beeld in het kapelletje. Toen de visser een klein kaarsje in de kapel kwam zetten, sprak de grapjas met een fijn stemmetje: "En je had nochtans een hele grote beloofd". De visser schrok, maar zag even later wel dat hij voor de gek werd gehouden.’
Gierig was niet alleen die visser, ook een Bredense melkverkoopster kon er wat van: ‘In de duinen in Bredene spookte het. Er was daar een waterput die de hele tijd riep: "Water en melk!" Een melkverkoopster kwam vroeger altijd water uit die put halen om bij de melk te gieten.’
Een aantal Bredense volksverhalen lijken eerder kwajongensstreken te zijn: ‘Sommige grapjassen haalden een krab van het strand en zetten een kaars op de rug van het dier. Wanneer een voorbijganger zoiets op een kerkhof zag, geloofde hij dat er een dode uit zijn graf was gekomen.’ Of ze zijn het gevolg van overmatig alcoholgebruik: ‘Een man had een wit paard in het water zien zitten en was zo bang geworden dat hij een vriend was gaan halen. Toen het tweetal terugkwam, stelden ze vast dat het zogenaamde paard niets meer was dan de weerkaatsing van het maanlicht in het water.’ Ik denk dat ik in mijn jeugd ook zoiets meegemaakt heb.
Wat denk je van deze: ‘Een man uit Bredene die toverboeken bezat, kon de koeien op hun achterste op de mesthoop laten zitten. Uiteindelijk heeft men de toverboeken van die man afgenomen.’ Ons lijkt het nochtans een onschuldig tijdverdrijf geweest te zijn.
Hebt u trouwens karnemelk in huis? ‘Een schaapherder die in de kerk zat, voelde instinctief dat de meid thuis in zijn koffer zat te snuffelen. De meid was in de toverboeken van de herder aan het lezen, waardoor de boerderij even later vol duivels zat. De schaapherder goot karnemelk op de grond, waarna de duivels verdwenen.’
Verbazen doet het ons niet, maar veel onheil werd destijds veroorzaakt door Nederlanders: ‘Twee meisjes gingen op het veld bij 't Hazegras en De Vrede helpen met het werk. Er werkte ook een Hollander, die de gewoonte had om iedereen een klopje op de rug te geven. Eén van de meisjes vond dat niet prettig en zei: "Laat me met rust, tovenaar!" Daarop sprak de man gekrenkt: "Let maar op, want ik kan meer dan brood eten! Ik zou je vader naar huis kunnen doen lopen". De meisjes lachten en werkten voort. 's Middags moesten de meisjes altijd naar huis om de koeien te melken. Die middag hoorden ze een man langs de zoldertrap naar boven lopen.’  ’t Zal hun vader geweest zijn! 
Gelukkig bestonden er paters die tegen Hollanders bestand waren: ‘Op een boerderij hoorde men altijd geluiden op het dak. Op een dag sprak de boer: "Ik zal die duiven toch eens moeten doodschieten". Op een dag waren de duiven verdwenen, maar toen zaten er muizen op de zolder. Vreemd genoeg schuifelden die dieren in plaats van te piepen. De boerin goot kokend water over de muizen, maar de dieren waren niet verbrand en bleven leven. De Hollandse knecht die op de boerderij werkte, zei: "Nu zit het hier vol muizen, daarna zullen er ratten komen". Dat is echter nooit gebeurd, want de boer is naar de paters geweest.’ Naast die paters was er ook een pastoor die Hollanders kon bedwingen, maar dat kostte hem wel veel zweet: ‘Een boer en een boerin hadden veel ongeluk. Wanneer één van hun merries een veulen moest werpen, liep het altijd mis. De boer en de boerin gaven hun Hollandse knecht de schuld en lieten een pastoor komen. De geestelijke kwam de boerderij overlezen tot de zweetdruppels van zijn gezicht rolden. De mensen kregen ook medailles om boven de deuren en onder de dorpels te leggen. Daarna hadden de boer en de boerin stilaan meer geluk.’
Misschien vraagt u zich net als ik af hoe het komt dat er zoveel Hollandse boerenknechten in Bredene werkten. Maar misschien hadden de Bredense informanten het niet altijd over hun eigen gemeente, misschien vertelden ze ook verhalen uit gemeenten die dichter bij de grens lagen; misschien hebben die studenten er met hun klak naar gesmeten; misschien dit, misschien dat. Maar feit is dat ik intussen nog altijd niets meer te weten gekomen ben over Ko, de helleportier, de Bredenaar die bij leven en welzijn ter helle voer. Over en weer.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen