maandag 1 april 2013

Seks & utopie


Saskia Poldervaart (1945-2011)
Saskia Poldervaart (1945-2011) was een linkse activiste en een wetenschapster. Eén keer heb ik haar horen spreken. Dat was in het hoge noorden van Nederland, in Appelscha, dat ene jaar dat ik mijn campertje daar geparkeerd had om er aan de Pinkster Landdagen deel te nemen. Als wetenschapster had Poldervaart onderzoek verricht naar de utopische socialisten. Tijdens dat onderzoek had ze ook veel ontdekt over de relaties tussen maatschappijkritische bewegingen en utopische initiatieven ter bevordering van de vrije liefde.
In tijden waarin veel maatschappijkritiek geuit wordt, worden ook veel utopieën geformuleerd.  Zo’n periode is de twaalfde, dertiende eeuw.  Maatschappij en kerk worden erg bekritiseerd.  Grote groepen (katharen, begijnen...) pleiten voor een terugkeer naar de bron, een periode waarin mannen en vrouwen solidair in gemeenschap leven.
Poldervaart situeert een eerste utopische periode in de begindagen van het christendom en de tweede bij de ketters van de twaalfde eeuw.  Omdat die begijnen en ketters (het woord ketter komt van kathaar) van mening zijn dat niemand eigendom is van een ander, gaan ze veelal celibatair door het leven.  Maar soms gaat het protest de andere kant uit, naar vrije seksuele relaties tussen gelijken, zoals dat het geval is in de gemeenschap van de ‘Broeders en zusters van de heilige geest’.  In dergelijke groepen spelen de vrouwen een vooraanstaande rol.  Poldervaart verwijst naar een historicus die van mening is dat deze ketterse bewegingen uiteindelijk mislukken doordat veel tijdgenoten er een feminisme in ontdekken dat ze als gevaarlijk catalogeren en daarom verwerpen.
Een derde seksueel-utopische periode ontstaat tijdens de periode van de verlichting. De zestiende / zeventiende eeuw brengt niet alleen het humanisme en de verlichting op het voorplan, maar ook nieuwe utopische bewegingen en voor het eerst zelfs utopische maatschappijontwerpen (Thomas Moores Utopia, Bacons New Atlantis...).  Tal van religieuze gemeenschappen nemen de eerste christengemeenschappen als voorbeeld (de commune rond Thomas Munzer, levellers; quakers...).  Sommigen beoefenen het celibaat (de shakers), anderen propageren vrije seksuele relaties (zoals de aanhangers van sommige anabaptistische groepen).
De vierde utopische periode (1825-1850) brengt denkers naar voren die hun utopische maatschappijontwerpen ook daadwerkelijk in de praktijk willen brengen (Saint-Simon, Fourier, Owen…).  Van de vorige utopisten onderscheiden ze zich doordat ze de nadruk niet leggen op de gelijkheid, maar op de verschillen.  Liefde en seksueel plezier komen centraal te staan en worden even belangrijk als bijvoorbeeld klassenverschillen.  Doordat deze utopisch-socialistische groepen de tegenstellingen tussen gevoel en rede, huisvrouw en kostwinner, man en vrouw overbruggen trekken ze ook heel wat vrouwen aan.
Qua seksualiteit is Charles Fourier — het boek ‘Le Nouveau Monde Amoureux’, dat hij in 1818 schreef werd pas in 1967 gepubliceerd! — de meest vooruitstrevende. Een voorwaarde voor het ontwaken van een nieuwe amoureuze wereld is volgens Fourier het bewustzijn dat seksuele noden enorm verschillen.
De Saint-Simonisten tonen dan weer staaltjes van grote praktische ondernemingszin ter zake.  Enfantin, de beroemdste volgeling van Saint-Simon, verklaart in 1831 dat de ‘erotische uitdaging’ een positieve vrouwelijke kwaliteit is, waar de mannen veel van kunnen leren.  De vrouwelijke Saint-Simonisten richten een eigen organisatie op rond het blad La Femme Libre.  Hun standpunten liegen er niet om: ‘Wij zullen liefhebben zonder hypocriet te zijn en we lachen om de vooroordelen.’ 
Bekend (maar geïsoleerd) is de Saint-Simoniste Claire Demar die voor de passionele liefde pleit, tegen de trouw, voor de vernietiging van het vaderschap en voor de installatie van het sociale moederschap ter vervanging van het biologische.  Bekend is ook Pauline Roland.  Al in de jaren 1830 is ze een Bewust Ongehuwde Moeder. Haar vier kinderen dragen haar eigen naam.
Nadat ook deze utopische periode uitgeraasd is, wordt het wachten tot 1890 om het vuur van de vrije liefde weer te zien oplaaien.  Dan start wat we inmiddels de eerste feministische golf (1890-1920) zijn gaan noemen.  In Engeland is er Olive Schreiner die het huwelijk en de sociale seksuele conventies ter discussie stelt.  In Duitsland bekritiseren Lila Braun en Minna Cauer de dubbele seksuele moraal.  Ze roepen op tot een boycot van het huwelijk en pleiten voor de seksuele bevrijding van de vrouw.
In de Verenigde Staten is er dan weer het feminisme van het New Yorkse Greenwich Village van o.m. Charlotte Perkings Gilman.  Deze feministen willen o.a. via het blad ‘The Masses’ een nieuwe seksuele moraal introduceren, een moraal die mensen ertoe wil bewegen hun eigen vaste seksuele identiteit op te geven en te kiezen voor een spel met de conventionele seksuele rolverdeling als inzet.
In Frankrijk valt Madeleine Pelletier op.  In 1908 richt zij het blad La Suffragiste op.  Daarin schrijft ze over het recht van mannen en vrouwen om over het eigen lijf te beschikken, het recht om van seks te genieten, het recht op abortus, de vernietiging van het gezin...  Heel haar leven helpt ze vrouwen aan een abortus, waarvoor ze in 1939 gearresteerd wordt. In datzelfde jaar sterft ze overigens in die gevangenis.
De jongste utopische periode situeert Poldervaart in 1965-1975.  Weer zien we een opstoot van het feminisme (de tweede golf). Motto: het persoonlijke is politiek. 
Op de Pinksterlanddagen hoorde ik haar geen uitspraak doen over het bestaan van hedendaagse utopisch-seksuele bewegingen. Ze zei wel met aandacht naar de kraakbeweging te kijken, waar de strijd tegen seksuele conventies soms een aandachtspunt is: ‘Ik ben er zeker van dat het protest tegen het neo-liberalisme en kapitalisme opnieuw zal opkomen (wat misschien zelfs al het geval is) en dat in dit protest opnieuw seksuele alternatieven geformuleerd zullen worden.
Flor Vandekerckhove

Saskia Poldervaart, ‘Tegen conventioneel fatsoen en zekerheid.  Het uitdagende feminisme van de utopisch socialisten’, 1993, Sara / van Gennep, A’dam., 340 ps.  ISBN 90-6012-874-5.
Een reactie plaatsen