donderdag 11 april 2013

Work in Progress (X)


In 1954 konden mijn ouders het winkelhuis van
roste Miel kopen. De foto waarop ik samen met mijn
moeder en vader sta dateert van 1959.
[Op mijn vierenzestigste verjaardag begon ik een autobiografie te schrijven, meer bepaald een min of meer verbeelde variante op het genre. Ik hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

X.
Op 7 december 1954 bevinden mijn ouders zich in het kantoor van Mr. Justin Boedts, notaris te Eernegem. Daar zijn ook aanwezig Camillus Vansevenandt, mijn grootoom, u inmiddels bekend als roste Miel, en zijn echtgenote Eugenie Vandekerckhove.  Zij verkopen hun ‘woonhuis, dienstig voor handelshuis, met alle aanhorigheden en medegaande erve, onder bebouwden en niet bebouwden grond, en met af- en aankleven, oppervlakkig groot, volgens titelen, drie aren zeven centiaren twintig decimeter vierkant; gestaan en gelegen te Bredene-aan-Zee, Duinenstraat, nummer: 206.’  Mijn ouders zijn er de kopers van. De verkoopprijs bedraagt 400.000 frank, waarvan de helft meteen op tafel gelegd wordt.
200.000 frank, dat is in 1954 een indrukwekkende som voor mensen die ik in voorgaande hoofdstukken als armoelijders getypeerd heb. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ik in de paperassen lees dat ze dat bedrag volledig geleend hebben. De NV Hypothecaire Beleggingskas geeft hun twintig jaar om het geld weer te betalen.  Op de andere helft van het aankoopbedrag moeten Miel en Eugenie nog een beetje wachten, want ook dat geld hebben mijn ouders niet. Die tweede 200.000 frank moeten ze eveneens lenen, maar niet van de Hypothecaire Beleggingskas, wel van Miel en Eugenie zelve die erop rekenen hun geld in schijven, verspreid over vele jaren, in handen te krijgen. In het begin moeten die afbetalingen, zo legt de notaris uit, jaarlijks tienduizend frank bedragen, de laatste jaren worden dat schijven van vijfentwintigduizend.  De eigendom zal door Miel en Eugenie op uiterlijk 1 mei 1955 ter beschikking van mijn ouders gesteld worden.
Wat een verandering!  De gezinssituatie ondergaat in enkele dagen een complete metamorfose. Op 6 december 1954 hebben mijn ouders nog niets, maar die nacht passeert de sint. Wanneer ze zich ’s anderendaags naar notaris Boedts begeven, hebben ze twee leningen op zak. Een ervan laat hun toe om de helft van de verkoopprijs van een huis te betalen. Met het bedrag van de andere lening, 25.000 frank, vereffenen ze de notariskosten, want ook dat geld hebben ze niet van zichzelf. Wanneer ze die avond weer naar huis rijden zijn ze eigenaars geworden, bezitters van een huis, uitbaters van een eigen winkel en mensen met schulden.
Weg uit de Golfstraat, op naar de Duinenstraat! Weg van de huurmarkt, op naar de private eigendom! Weg uit de precaire situatie, op naar de middenklasse! Meer, groter, verder, vlugger!  Gauw!
Of het voor mij een verschil uitgemaakt heeft? 
Voor een kind is de maatschappelijke situatie waarin zijn ouders verkeren een gegeven feit waarvan de essentie nauwelijks bevraagd wordt en daardoor ook maar moeilijk begrepen kan worden. Voor een kind is die situatie ondoorgrondelijk.  Al wat je ziet is de oppervlakte ervan. Als er schaarste dreigt dan ervaar je die natuurlijk wel, en dat heb ik ook gedaan. Ik zag ook wel dat er elders meer geconsumeerd werd, ook in arbeidersgezinnen. Ik zag dat andere mensen, in tegenstelling tot mijn ouders, op vakantie gingen. Ik zag dat kinderen op zondagen zakgeld van hun ouders kregen, iets wat ik thuis niet moest vragen. Ik constateerde wel dat al die verschijnselen in tegenspraak waren met het bewustzijn dat thuis regeerde als zouden wij, van de middenstand, het beter hebben dan de buren die niet over zo’n handelshuis beschikten.  Dat de sprong naar de middenklasse alleen maar gemaakt kon worden door al de rest — het leven! — eraan ondergeschikt te maken is te complex opdat een kind dat zou begrijpen. Er was natuurlijk wel de stripfiguur Dagobert, de rijke vrek uit de familie van Donald Duck, die me had kunnen laten verstaan dat kapitaalbezit en consumptie niet hetzelfde zijn en dat er wel degelijk een maatschappelijke laag mensen bestaat die tegelijk veel bezit en toch weinig consumeert, maar daarvoor was de afstand tussen mijn ouders en de stripfiguur Dagobert te groot. De rijke Duck had een berg geld waar hij bovenop kon zitten, erin wegduiken of er gangen in graven, thuis had ik zo’n berg nooit zien liggen.
Heeft het toetreden tot de middenklasse ook gevolgen gehad die verder reiken dan al de kleine frustraties waarmee je als kind geconfronteerd wordt? Draag je er nog gevolgen van eens je de kindertijd ontgroeid bent? Draag je dat nog mee nadat je het ouderlijk huis verlaten hebt? Wordt een kind er voor de rest van zijn leven door getekend?
In Engeland is dat heel zeker het geval, zo luidt het cliché, daar is je klassenpositie determinerend. Dat cliché wordt me bevestigd door de Britse omroep BBC die de resultaten publiceerde van The Great British Class Survey. Die enquête heeft nogal wat ophef gemaakt.  Meer dan 160.000 Britten namen eraan deel. Het onderzoek distilleerde uit de antwoorden zeven verschillende klassen: upperclass, gevestigde middenklasse, technische middenklasse, nieuwe welvarende arbeiders, traditionele arbeidersklasse, opkomende dienstverleners en het precaire proletariaat.
Kan ik met die begrippen iets aanvatten? Laat me eens kijken.  Na de aankoop van het huis schuiven mijn ouders in toenemende mate op richting middenklasse.  Heeft die statusverhoging ook voor mij iets opgebracht dat mijn leven verbeterd heeft? Heeft de maatschappelijke opgang van mijn ouders mijn toekomst beïnvloed? Zoiets moet, denk ik, toch objectief af te lezen zijn van de maatschappelijke situatie waarin ik me vandaag bevind.  Helaas is die situatie voor mezelf een raadsel, altijd geweest eigenlijk, en de jongste jaren meer dan ooit.  Laat me je dat uitleggen.
Zelf behoor ik niet tot de middenstand.  Ik leef van een uitkering, een werkloosheidsuitkering, en beschik daardoor maar over weinig koopkracht. Wat me dicht bij de situatie van het precaire proletariaat brengt. Maar ik ken nogal wat lieden die tot die groep behoren, mijn kennissenkring situeert zich in dat milieu, waardoor ik wel degelijk weet dat mijn situatie van de hunne verschilt. Ja, ik ben er inderdaad beter aan toe.
Werken heb ik nooit erg graag gedaan.  Ik werk al lang niet meer, toch niet in de betekenis dat ik een put graaf voor een ander. Dankzij een vernuftig gebruik van technieken die tot de sociale spitstechnologie behoren, kan me al vele jaren onledig houden met wat ik graag doe, schrijven bijvoorbeeld. Waardoor ik me in een maatschappelijke positie beweeg die me, zo nu en dan toch, bijvoorbeeld in de Gentse opera, dicht bij lieden van de upperclass brengt. Eén blik op die mensen volstaat dan weer om te beseffen dat mijn situatie ook erg veel van de hunne verschilt. Ja, ik ben er wel degelijk slechter aan toe.
Niet bij het precair proletariaat, niet bij de upperclass, niet bij de middenstand… Ik vind mezelf niet weer op de sociale ladder. Waar bevind ik me eigenlijk in dat sociaal spectrum dat de Britten in zeven stukken verdeeld hebben? Misschien kunnen de enquêteurs van de BBC me verder helpen. Ik laat me registreren en neem deel aan de enquête.  Het kost me twintig minuten om de vragen te beantwoorden. De website heeft daarna één seconde nodig om me te classificeren.
Of ik tot het precaire proletariaat behoor dan wel tot de upperclass wordt me evenwel ook daar niet meegedeeld. Wel wordt mijn economisch kapitaal op 70% geschat.  Mijn inkomen mag dan lager zijn dan dat van de gemiddelde Brit, toch heb ik een grotere spaarboek.  Dat komt ongetwijfeld doordat ik weinig behoeften heb, daardoor weinig consumeer en op ’t einde van de maand geld overhoud.  Dat is wel degelijk iets dat ik van huis uit meegekregen heb. Daar werd elke frank twee keer omgedraaid.  Het is iets wat je blijkbaar verinnerlijkt en een leven lang met je meedraagt.  Kapitaal heb ik volgens de BBC ook doordat ik in een eigen huis leef dat ik in die enquête duurder ingeschat heb dan de gemiddelde Brit dat voor zijn woonst doet. Dat huis heb ik van mijn ouders geërfd.  De maatschappelijke sprong die mijn ouders destijds in het zweet hun aanschijns gemaakt hebben, heeft me blijkbaar geen windeieren gelegd. Het is een inzicht dat voor het eerst tot me doordringt en dat ik wellicht nooit overdacht zou hebben, mocht ik op mijn vierenzestigste niet besloten hebben om deze autobiografie te schrijven.
Naast dat soort kapitaal zijn er nog andere, zo menen de BBC-enquêteurs.  Mijn sociaal kapitaal, zo leren ze daar uit mijn antwoorden, kan onmogelijk verbeterd worden, want het bedraagt nu al 100%.  Ik mag me het grootste deel van de tijd solitair, in mijn zetel achter het raam, ophouden, toch blijk ik een optimaal sociaal netwerk te hebben. Dat komt natuurlijk doordat ik al vele jaren als journalist actief ben. Journalisten mogen inderdaad iedereen aanspreken, hoog en laag, want alle mensen staan liever in de krant dan in de regen en ons kent ons en ’t ene plezier is ’t andere waard. En dan beschik ik ook nog over cultureel kapitaal.  Dat is, zo zegt de uitslag van de enquête me tenslotte, hoger dan dat van 80% van de Britten. Dat komt wellicht doordat er ook in het Verenigd Koninkrijk maar weinig mensen naar de opera gaan.
Tijd om te concluderen, want dit saaie hoofdstuk duurt al te lang. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het veldwerk dat ik heb moeten verrichten — de notariële akten, de BBC-enquête — en dat, voorspelbaar als het was, de vaart uit dit boek getrokken heeft, maar goed. Maakt het voor mij een verschil uit dat mijn ouders in 1954 de sprong naar de middenstad gemaakt hebben?  Is de toekomst van hun kind daardoor rooskleuriger geworden?  Heb ik de behoorlijk hoge persoonlijke enquêteresultaten aan mijn afkomst te danken?
Ongetwijfeld! Mijn opvoeding in dat middenstandsmilieu ging gepaard met een schoolopleiding die in mijn familie nooit eerder voorgekomen was. Het is die opleiding die voor mij de deur tot het culturele en het sociale kapitaal geopend heeft.  Dat mijn inkomen dan weer lager is dan dat van de gemiddelde Brit heeft niets met mijn ouders te maken, maar met bewuste keuzes van mezelf en ook wel met persoonlijke tekortkomingen die ik koester omdat ze deel uitmaken van mijn identiteit; tekortkomingen die u al lezend in dit boek wel zult ontdekken. 
Dat de maatschappelijke opgang van mijn ouders mijn latere leven lichter gemaakt heeft, wil niet zeggen dat mijn kindertijd een lacheding geweest is. Ik word al gauw ingezet in de commerce. Ik word wel degelijk geconfronteerd met de bekrompenheid van het middenstandsmilieu dat ik als schraapzuchtig, kleinzielig, bedrieglijk en oppervlakkig ervaren heb. Mijn vader draait er zijn hand niet voor om zijn klanten te bedriegen, zo zie ik dat als kind ook wel. Ik kan daar veel voorbeelden van geven.  Niet zolang geleden is me ter ore gekomen dat zijn bedrieglijke praktijken groter waren dan wat ik al wist. Het is een negatief kantje van mijn vader dat ik ook in mezelf ervaren heb en waar ik tot vandaag mee worstel. Mijn moeder van haar kant begint zich pretentieus te gedragen. Ze vindt van zichzelf dat ze boven haar klanten staat en ze spreekt op een neerbuigende manier over de mensen die — om de hoek! — achteraan de Golfstraat wonen, een straat die ze achter zich gelaten heeft.  Dat zijn niet zo’n goeie voorbeelden voor een kind. Het zijn ook invloeden waaraan je niet gemakkelijk ontsnapt, zo heb ik later moeten ondervinden.
Door de aankoop van het huis ontstond ook de dwingende noodzaak om ‘er te geraken’. Om het doel te bereiken werden alle collectieve waarden aan de kant geschoven en vervangen door een kwalijk individualisme dat vandaag de hele maatschappij doordrongen heeft, en waarvan de middenstandsgeneratie van mijn ouders de voorhoede vormde.
Ik las als kind al heel gauw de krant. Tijdens de week was dat Het Volk en op zondag het magazine van die krant, dat heel toepasselijk Ons Zondagsblad heette. Uit dat Zondagsblad herinner ik me een reportage waarin voorspeld werd dat elkeen zich in het jaar 2000 in individuele kleine eenmanshelikopters zou voortbewegen. Die voorspelling is niet uitgekomen, maar het schetste wel correct de toenemende individualisering waarvan ik thuis de kiemen zag.
Het Volk, de krant van de christelijke arbeidersbeweging, werd door mijn ouders al gauw ingeruild voor Het Laatste Nieuws, een liberaal blad, dat nauwer bij hun nieuwe maatschappelijke positie aansloot.  Waar mijn ouders voorheen voor de katholieken gestemd hadden, ging de voorkeur van mijn vader voortaan consequent uit naar de liberalen.  Mijn moeder durfde al eens politiek te shoppen, wat volgens haar echtgenoot veelal een verloren stem opleverde. 
In 1960 was het land in een diepe crisis terechtgekomen. De kolonie was onafhankelijk geworden, de werkloosheid danig toegenomen, de overheidsschuld swingde de pan uit, in Wallonië werden een aantal koolmijnen gesloten. De regering had een herstelplan afgekondigd dat een forse sociale afbraak inhield, de zogenaamde Eenheidswet. De socialistische vakbond had daar een algemene staking tegen georganiseerd die in 1961 mislukt genoemd kon worden, maar de regering was wel gevallen.
In dat jaar werd ik twaalf. Ik herinner me de gesprekken in de winkel over die Eenheidswet en vooral over de stakingacties ertegen. Dat er in de confrontaties tussen gendarmerie en stakers vier doden gevallen waren, was voor mijn vader het punt niet, wel dat de Waalse metaalarbeiders in Brussel winkelruiten ingegooid hadden. Ik vond toen al dat de verontwaardiging van mijn vader scheefgericht was.  En, veel later, toen wijlen Margareth Thatcher het over poor shopkeepers had die hun etalages vernield zagen door de Britse mijnwerkers die in 1984 en 1985 tegen haar nefaste beleid actie voerden, vond ik dat nog steeds. Maar ik had gemakkelijk praten, want ik was, zoals gezegd, geen middenstander en had bijgevolg zelf geen etalage die vernield kon worden.
Een reactie plaatsen