zondag 28 april 2013

Waar waart gij in 1956


Werenfried van Straaten, alias de spekpater.
In 1956 ben ik twintig. In dat jaar participeer ik zelfs, weliswaar buiten medeweten van mijn echtgenote, aan een triootje. 
Ik herinner me 1956 ook als een politiek jaar. In Polen wordt een volksopstand neergeslagen. In Hongarije is er een revolutie aan de gang. In de kerken van Vlaanderen wordt gecollecteerd en vrachtwagens komen aan huis oude kleren ophalen. De man achter al dat activisme heet Werenfried van Straaten, alias de spekpater. Zijn organisatie, Oostpriesterhulp, wordt in die tijd wereldberoemd.
Je weet hoe ‘t gaat met zo’n politieke gebeurtenissen. Een mens gaat daar niet ongestraft aan voorbij.  Dat geldt zeker voor Andras Horvat die zich daar in die dagen tot het katholicisme bekeert. Van de spekpater krijgt hij een nieuwe bijbel en ouwe kleren.
In de jas vindt Horvat een papiertje waarop een adres vermeld staat, aan gene zijde van het ijzeren gordijn, een adres in België. De kersverse katholiek beschouwt dat als een teken Gods. Hij memoriseert het adres, eet het briefje op en betaalt een chauffeur die hem clandestien uit het land smokkelt.
Zelf bemoei ik me niet met spekpaters. Toch word ook ik door de gebeurtenissen meegesleurd.
In de krant zie ik in die dagen een annonce staan. Een koppel zoekt een jongeman die als derde wil participeren in een triootje.  Ik verdien mijn bete broods als vertegenwoordiger, waardoor ik voor zo’n dingen tijd kan maken zonder dat mijn echtgenote iets vermoedt.  Ik ga op het aanbod in en maak kennis met twee veertigers die hun uitgedoofde seksleven nieuw leven willen inblazen. 
Het is hun eerste keer en dat geldt ook voor mij. Zenuwachtig zijn we alle drie. Gelukkig staat de kruik met Bols op tafel. We drinken om onze schroom weg te masseren. Dat lukt aardig, want Bols is babbelwater. Uiteraard gaat het over de Hongaarse gebeurtenissen en over het solidariteitswerk waarin ze zich beiden geëngageerd hebben. Ik luister beleefd, veins bewondering voor zoveel menslievendheid en wacht op wat komen zal.
Ze willen me in de slaapkamer de vrucht van hun solidariteitswerk tonen. We gaan de trap op, eerst de man, dan de vrouw en ik als laatste. In de kamer zie ik stapels kleren liggen die de twee gecollecteerd hebben. Te midden van die stapels staat een groot bed. De man tatert maar door. Werenfried hier, spekpater daar, Oostpriesterhulp overal.  Ik knik en knik en knik, en streel intussen, geveinsd achteloos, de indrukwekkende kont van zijn echtgenote.
Terwijl ze zich tegen me aandrukt, vult ze haar man aan. Weet ik dat zij ook Hongaarse vluchtelingen opvangen? Mijn ogen blinken van de wellust die ik als interesse probeer te camoufleren.
Wacht, zegt de echtgenoot, ik ga iets halen. De vrouw en ik laten ons meteen op het bed vallen. Opgepept als we zijn, strelen we ongegeneerd elkaars lichaam, ik kom handen, lippen en ogen tekort.
Wanneer de man weer boven komt, zijn wij al zover heen dat we nauwelijks aandacht voor hem kunnen opbrengen. Logisch zou zijn dat hij zich bij ons spel voegt, maar hij wil me per se een strookje tonen waarop zijn adres getikt staat, een adres dat hij in jaszakken steekt van kleren die door zijn spekpater over het ijzeren gordijn gegooid worden. Ik vind het allemaal heel storend, want de vrouw is mij intussen aan ‘t pijpen.
De man neemt mijn desinteresse verkeerd op en maakt zich kwaad. Hij blijkt een geweldenaar te zijn en wil me een vuistslag toedienen. Die weet ik maar nipt te ontwijken, waardoor zijn armzwaai verder gaat en hij zijn echtgenote vlak in het gezicht treft. Een tand doorboort haar bovenlip (maar gelukkig niet mijn paal). Haar bloed komt op mijn onderbroek terecht. Ik moet u niet vertellen dat de sfeer hierdoor naar de vaantjes is. We zijn alle drie meteen ontnuchterd. In een zee van wederzijdse verontschuldigingen zoeken we uit hoe het verder moet. Er komt geen antwoord.
Zij gaat koffie zetten. In de stapel zoekt de man geschikt ondergoed. Ik wissel dat ondergoed voor mijn bebloede onderbroek die in de stapel verdwijnt.
Ik wil naar huis, wat ze beiden begrijpen. Na de koffie nemen we afscheid. Ik verlaat het huis met het nieuwverworven inzicht dat zo’n triootje niets voor mij is. Thuis prop ik het ondergoed van de spekpater diep in de vuilnisbak.
Een week later schrik ik me een hoedje. In de krant lees ik dat die twee in hun woning dood aangetroffen werden. Een Hongaarse vluchteling, Andras Horvat genaamd, wordt aangehouden.
Ik word als getuige opgeroepen, want mijn naam staat op een brief waarin ik voor dat triootje solliciteer. Waardoor ik verplicht word het aan mijn echtgenote op te biechten. Gedurende heel dat proces ligt mijn bebloede onderbroek tussen het vele bewijsmateriaal dat tegen de Hongaar gebruikt wordt. Andras Horvat ontkent de beschuldigingen, maar wordt toch veroordeeld.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten