woensdag 14 augustus 2013

Bijna dood


Eet hier uw boterhammen! Het eerste wat me opviel waren die vier woorden: eet hier uw boterhammen. En het tweede wat mijn aandacht trok was het uitroepteken dat erachter stond. De tekst was op de ruit geschilderd en hij riep me terug naar de tijd waarin een café nog letterlijk een herberg was, met zaal voor feestelijkheden en kamers voor reizigers; voorzieningen die desgevallend op de ruit vermeld werden, net zoals de uitnodiging om boterhammen te nuttigen.
Naar dat café was ik gefietst, want ik probeerde het nuttige aan het aangename te paren. Het aangename was de fietstocht, het nuttige was het interview dat ik daar zou afnemen. Dat interview paste in mijn onderzoek naar bijna-doodervaringen. Ik was daarmee gestart omdat ik vermoedde dat er nogal wat verhalen te rapen vallen bij mensen die vlak voor de dood rechtsomkeer maken.  Wetenschappelijk onderzoek leert ons dat er dan een verhoogde hersenactiviteit te meten valt, waardoor er op dat moment veel te beleven moet zijn.  Ik wilde die verhalen sprokkelen.
Eet hier uw boterhammen! Het is achter dat raam dat ik de waardin zou interviewen. Ik had, zoals altijd wanneer ik ga fietsen, mijn lunchpakketje bij, dat kwam dus goed uit. Het café oogde ouderwets en daardoor ook gezellig. Donkerbruine vernis, houten meubelen, een bol met kauwgom op het marmer van de tapkast, geen muziek, de geur van Dettol, een zijdeur waarop cour geschreven staat, een muur bezet met honderden slordig aangebrachte kiekjes, waarin ik een fotografische inventaris meende te ontwaren van het cliënteel van dit café. 
De waardin oogde jong noch oud; slank was ze niet, maar je kon haar ook niet dik noemen. Ik had de indruk dat ik haar eerder gezien had, maar dat was alleen een indruk. Ze was nieuw in het café dat ze naar eigen zeggen pas geërfd had, zowaar van een familielid dat nooit eerder iets van zich had laten horen. In die erfenis zat ook een mooie geldsom, voldoende om het de rest van haar leven rustig te houden. Uiteraard zat er een addertje onder het gras en dat was de verplichting om het café open te houden, ‘in de staat waarin het zich bevindt’.  Nadat ze alles gewikt en gewogen had, was ze de uitbaatster geworden van een café dat voorbijgangers sommeerde binnen te komen om er hun boterhammen te eten. Ziet u die muur daar? Ook die muur had ze testamentair helemaal intact moeten laten.
Wie zijn dat, vroeg ik, de mensen op die foto’s? Ze kende hen niet, maar ze wist er wel een verhaal over te vertellen dat, zo verzekerde ze me, een verzamelaar van bijna-doodervaringen heel erg zou interesseren. Ik legde mijn voice recorder op tafel. Al die mensen, zei ze, blijken hier in de onmiddellijke omgeving gestorven te zijn, altijd in een accident, en veelal is het accident hier, op het kruispunt, gebeurd. Mijn ogen volgden de richting die ze aanwees en ik zag verkeerslichten die een vastgelopen circulatie op het kruispunt probeerden te ontwarren. Ze zweeg. Ik zweeg. Was dit de fotocollectie van een necrofiel? Getuigde die muur van de morbide fascinatie van een vorige uitbater? Ik stond op en ging de kiekjes nader bekijken. Soms stond er meer dan één mens op zo’n foto, maar meestal waren het kopjes van individuen. Ze lachten, keken stuurs of blikten neutraal in de lens; sommigen waren scherp geportretteerd, andere afbeeldingen waren vaag. En al de foto’s waren in dit café genomen. Ik herkende het raam waar ik zopas doorheen gekeken had, ik herkende de stoel waarop ik zat en de tafel waarop mijn voice recorder lag. Interessant vond ik het heel zeker en ik besefte wel dat ik in dit café op een verhaal gestoten was, maar met een bijna-doodervaring had dit niets te maken.  Dat is ook wat ik haar zei.
Daarin vergist u zich, antwoordde ze. Wacht, zei ze vervolgens, ik ga iets halen. Ik ging weer zitten en maakte van de pauze gebruik om mijn boterham helemaal op te eten. Ze kwam terug met een doos. Vanuit die doos haalde ze een voorwerp dat in een doek gewikkeld zat en vanonder dat doek kwam een fototoestel van het goede oude merk Polaroid, de camera die zijn foto’s zelf ontwikkelde en die de opkomst van het digitale tijdperk onmogelijk had kunnen overleven. Het was een mooie polaroid, een professioneel toestel waarvoor destijds ongetwijfeld veel geld betaald was, een model dat wellicht ook nu nog door liefhebbers erg gekoesterd wordt. Dit is ‘m! zei ze. Ik schrok van haar stem die oversloeg. Haar ogen schitterden terwijl ze de polaroid enigszins plechtig voor zich uithield. Zag ik haar handen trillen? Al die lichaamstaal maakte mij alvast duidelijk dat dit een plechtig moment was. Een mooi toestel is dat, zei ik heel toepasselijk, maar het heeft nog altijd niets met een bijna-doodervaring te maken.
Dat is maar wat u denkt, repliceerde ze raadselachtig, daar zult u later wel anders over spreken. En toen deed ze iets waar ik geenszins op voorbereid was. Ze drukte af. Door de flits werd ik verblind. De situatie leek eindeloos te duren en tegelijkertijd in een nanoseconde gecomprimeerd te worden. In het duister hoorde ik een mannenstem die zei dat het nu niet lang meer zou duren. Hij haalt het, zo zei die stem. Het duister begon te wijken. Een vrouwenstem vroeg: kan ik eerst nog iets eten of is ’t beter dat ik blijf? Ik herkende die stem, maar kon hem niet thuisbrengen. Neen, antwoordde de mannenstem, u blijft. Eet hier uw boterhammen! Mijn geest vernestelde zich in een kluwen van Polaroidcamera's en medische apparaten, in zalen voor feestelijkheden en operatiezalen, in verkeerslichten en baxters, in kamers voor reizigers en ziekenkamers. Hij probeert iets te zeggen, fluisterde de vrouw die zich over me boog. Ik zag, eerst nog vaag, daarna almaar beter, dat ze jong noch oud oogde, knap noch lelijk, slank en tegelijk ook niet. Ik had de indruk dat ik haar eerder gezien had, maar meer dan een indruk was dat niet.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen