zondag 11 augustus 2013

Ten huize van de warme woordbakker


Peter Holvoet-Hanssen en Flor Vandekerckhove (foto Jo Clauwaert)
Een mens leeft niet van brood alleen.’ Jezus Christus heeft het destijds al spetterend verwoord in wat vandaag een oneliner heet. Een mens heeft niet alleen het materiële nodig, maar ook het denkbeeldige. Zonder denkbeelden geen verandering, zonder verandering… geen leven.

‘Ben je daar weer? Heb je soms heimwee naar het dodelijke sprookje? / Dan zend ik je opnieuw op queeste. Rozenhoedje, wakker worden.’ (1)

Niet van brood alleen!  Vandaar dat er niet alleen bakkers zijn, maar ook producenten van het denkbeeldige, het imaginaire; van al datgene wat bedacht kan worden.  Naar analogie met de broodbakkers kunnen we hen woordbakkers noemen.
Zo’n woordbakkers zijn er in alle maten en gewichten.  ‘Fictie is ruimer dan literatuur, het is in het leven veel belangrijker dan literatuur of kunst. (…) Ik denk niet dat er veel mensen zijn die het uithouden zonder fictie; iedereen heeft de behoefte om zijn echte leven aan te vullen met een fictief leven, de een of andere leugen die hij door ik weet niet wat voor mechanisme omzet in waarheid.’ (2)
Sommige woordbakkers houden zich dan ook op in de wetenschap, andere in de religie, journalistiek of politiek; ze zijn ook massaal aanwezig in de film- en reclame-industrie.  Het zijn typische sectoren waar woorden geproduceerd worden die zo’n denkbeelden oproepen.
Naast voornoemden, die we meestal in grote instituties aantreffen, zijn er ook kleine zelfstandigen van het woord.  Zij zijn als ‘t ware de warme bakkers van het imaginaire. 

‘Slaap zacht, doe je ogen toe. / De Zevenslaper weet vast wel 7 wegen naar Timboektoe.’

Holvoet-Hanssen is zo’n warme bakker en zijn bakkerijtje vind je In een uithoek van de taal; uithoek die Peter zelf het Kapersnest noemt. Die naam staat centraal in de imaginaire wereld van de dichter; zo centraal dat hij haast materiële werkelijkheid lijkt te zijn.  Wanneer Peter Holvoet-Hanssen over zijn thuis, het Kapersnest, spreekt, denkt men veelal aan zijn fysieke woonst in Antwerpen. Dit is een misvatting. De Antwerpse woning van Peter en Noëlla Elpers is geen kapersnest, het ziet er daar niet uit als een kapersnest, de geluiden die je er hoort zijn niet deze van een kapersnest en de keuken geurt daar net als deze van de buren. Het Kapersnest dat de dichter bewoont moet je bijgevolg in zijn imaginatie zoeken, net als de woorden die hij al dichtend produceert.
Waarom Kapersnest? ‘Dichten is kapen. Kapen is de rijkdommen van de taal veroveren, met instemming van de uiteindelijke opdrachtgever: de lezer. Kapen is ook een kaap ronden, een rots omzeilen om nieuwe horizonten te verkennen en nieuwe werelden te ontdekken. De Piet Hein van alle Vlaamse dichters is Peter Holvoet-Hanssen. (…) Vrijheid, zelfbeschikking, verovering, ontworsteling, dat is de zucht van de bewuste mens, en in volle hevigheid, van de dichter.’ (3)
Laat ons de vergelijking met de bakkerijsector even doortrekken, want er zijn nog gelijkenissen: zowel de warme bakkers van het brood als deze van het woord produceren op mensenmaat; ze zijn kleine zelfstandigen, ze hebben het niet gemakkelijk, ze overleven alleen maar als ze in staat zijn hoge kwaliteit te leveren, en ja, ze hebben beiden neiging/reden tot klagen.
Er is ook een groot verschil.  U weet wat u mag verwachten wanneer u ’s morgens uw bakker opzoekt.  Als ’t goed is, dan zal zijn broodje in niets verschillen van wat u daar al eerder gekocht hebt. Dat is niet het geval bij warme woordbakker Peter. Die stuurt u telkens met iets anders naar huis. De dichter zal boven zijn product misschien wel ‘stokbrood’ schrijven, maar al lezend (proevend!) zult u constateren dat het danig verschilt van wat u verwacht had.

‘ik besta in dit gedicht: de dichter switcht drie schakelaars en ik / zet een stap, ik leef (…)’

Nochtans zult u Peters waar niet naar het Kapersnest terugbrengen, zeggend dat men zich aldaar bij het inpakken vergist heeft. U weet immers dat het aan u is om te ontdekken waarom dat stokbrood zo heet.
Voor de mens die spreekt, zegt Sartre, zijn de woorden zoals ‘huisdieren’. Voor de dichter zijn het dieren in wilde staat. ‘Voor de eerste zijn het nuttige afspraken, gereedschappen, die langzaam slijten en die men weggooit als ze ondeugdelijk zijn geworden, voor de laatste zijn het natuurlijke dingen, die op natuurlijke wijze op aarde groeien zoals het gras en de bomen.’ (4) Woorden die in het wild groeien zijn onvoorspelbaar, in tegenstelling tot deze die zich als huisdieren gedragen. Vandaar ook dat het moeilijker is om een gedicht te lezen dan een croissant te eten. 
Maar de voldoening is er niet minder om: Wát overkomt me dan? Een geluksgevoel, maar niet van het gezapige of weemoedige soort, veeleer: een aansporing om door te gaan. Nieuwe moed – dat is iets wat we allemaal broodnodig hebben nu en dan, en het is waarschijnlijk een van de beste dingen die kunst en literatuur ons kunnen geven.’ (5)
Neen, je krijgt het niet voor niets. Alleen al een opsomming van een aantal titels uit de woordbakkerij van Peter plaatst ons voor een moeizaam te beklimmen berg: Strombolicchio (1999), Santander (2001), Spinalonga, Navagio (2008). Wat is me dat allemaal? De reis naar Inframundo (2011) waarin hij zijn vorige bundels herschikt, licht gelukkig al een deel van de sluier op. Inframundo betekent immers onderwereld. Peter HH neemt ons mee naar een andere wereld. En ja, dat is ook wat hij in zijn vorige bundels deed. Spinangola bijvoorbeeld is de naam van een Grieks eiland, Santander is een Spaanse havenstad, Strombolicchio is een vulkaaneiland…
Dirk De Geest, die zich vakkundig over de poëzie van Peter gebogen heeft, weet dat het deze woordbakker ‘eerder dan om het bereiken van een vaste (zelfs fictieve) eindbestemming, vooral te doen is om de beweeglijkheid zelf, het permanent onderweg zijn.’ (6) Als je er een beetje op doordenkt, dan valt dat licht te begrijpen, want het voedsel van de geest, het imaginaire, is anders dan het brood van de warme broodbakker, vluchtig, ijl, nauwelijks grijpbaar — nauwelijks te vatten!

‘poezelijnen moeten wassen / snorren voor de wereld / niet meer schoon te krijgen / uilen mokken om de maan / drie uur en donker is het licht / slijm van slapeloosheid / oploeven en afvallen'.

In tegenstelling tot de broodbakker die wellicht gewoon boven zijn oven slaapt, woont woordbakker Peter in zijn taal — de plek die hij Kapersnest noemt.  Hij beweegt erin en reist ermee naar… waar zijn verbeelding hem leidt. Alle denkbare grenzen worden overschreden. In amper een paar regels bereikt de poëtische kaperkapitein moeiteloos alle uithoeken van de wereld: van Vuureiland tot Timboektoe, van Oostende tot Kaboel en Kosovo, van het Schotse Kinloch Rannoch tot de Dode Zee of de nulmeridiaan. (…) van vulkanen en de onderwereld stijgt het ik enthousiast op naar sterren en planeten. (…) Ook mythische plaatsen liggen binnen handbereik, en temporele barrières vormen al evenmin een belemmering. Even vlotjes verspringen gedichten naar het legendarische Camelot van Koning Arthur, de onderwereld, de sprookjeswereld van Vrouw Holle en Sneeuwwitje, het Malpertuus waar de middeleeuwse vos Reinaert zijn snode plannen beraamt, de wolkenstad Nephelokokkugia van de Griekse komedieschrijver Aristophanes (…), maar evenzeer de entourage van hedendaagse kunstenaars en zangers… (7)
Op die reizen worden we vergezeld door kaper J. Enterhaeck, ontsnappingskunstenaar Houdini, Reinaert de Vos en tal van andere speelvogels. Maar allemaal zeggen ze ons hetzelfde, zij het op hun eigen manier: een ander leven is mogelijk, een andere wereld is mogelijk! ‘Een creatief schrijver is iemand die vanuit een persoonlijke obsessie of overtuiging de werkelijkheid kan vervormen en die zo vervorming zo geloofwaardig weet over te brengen dat de lezer er een objectieve beschrijving in ziet van de werkelijkheid, van de echte wereld.’ (8) O, wat een heerlijke leugen! O, wat een heerlijke waarheid!
Wat is dan die persoonlijke obsessie van Holvoet-Hanssen? Peter zegt daar zelf over: ‘Waarom doe ik dat allemaal? Ik moet u misschien ontgoochelen, want ik doe het niét uit sociaal engagement, wel omwille van mijn persoonlijke queeste: een zoektocht om mijn poëzie inhoudelijk en vormelijk voortdurend uit te dagen.’ (9)  Maar die persoonlijke queeste ontwikkelt zich niet in een maatschappelijk leeg laboratorium. Zegt Peter: ‘Zodra ge publiceert/communiceert zijt ge m.i. politiek bezig.’  
Is dat zo? Wat moeten we ons daarbij dan voorstellen, bij zo’n politieke bezigheid? Sommige woordbakkers hebben daar een onwrikbare mening over: ‘[W]ij moeten niet alleen in onze fictie onze dromen waar maken. Wij moeten zorgen dat de belofte uit onze visioenen en onze woorden ons dagelijks leven binnenkomt en een objectieve werkelijkheid wordt.’ (10)  Ja, dat is wel degelijk politiek, zij het van een andere orde dan deze die we daar gewoonlijk onder verstaan: Om misverstanden te voorkomen: bij “politiek” denk ik minder aan partijen, parlementen, verkiezingen en regeringen dan aan groepen en mensen die een bestaande orde willen ondergraven of minstens ondervragen, die versteende toestanden willen doen dansen.’ (11)
Is het dat wat Holvoet-Hanssen voor ogen staat? Wil hij versteende toestanden doen dansen? Ik denk het wel. Peter: ‘Met een gedicht schep je je eigen wereld, maar m.i. is die tegelijkertijd verbonden met de wereld. Vandaar dat ik ook af en toe met de wereld in verbinding treed, nl. daadwerkelijk met de mensen en andere dichter(e)s(sen) de baan op ga.  Dat is een persoonlijke keuze. Er zijn dichters, zoals Bernard Dewulf die zich veel intiemer opstellen, maar, vergis u niet, ook dat is een politieke daad.  Mijn straatlopen heeft echter wel een nadeel. Wie, zoals ik, “street minded” opereert, wordt rap in een hokje gestopt.  Mensen vinden dan dat ik niet schrijf “zoals den Bernaar”.  Ze zien op den duur niet meer dat ik ook veel gedichten geschreven heb die niét op een podium voorgelezen willen worden en best thuis geproefd worden, nippend van een koffie.’
We zien Peter Holvoet-Hanssen wel rondhollen, maar hij is geen militante wereldverbeteraar.  Uiteraard niet: ‘De symbolische wereld van de literatuur valt niet samen met de beredeneerde wereld van de ideologieën. In tegenstelling tot filosofische of politieke doctrines, is het literaire werk geen abstract conceptueel systeem, maar de creatie van een concrete imaginaire wereld van personages en dingen.’ (12)  Dat belet dan weer niet dat Peters wegen die van rondhollende wereldverbeteraars her en der kruisen. Beiden zien een andere werkelijkheid dan deze die ons voorgehouden wordt, want in tegenstelling tot wat de goegemeente denkt wordt de werkelijkheid niet gevormd door een reeks feiten, maar door een constructie van de verbeelding die aan die feiten samengang geeft. 'We leren het werkelijke tegenover het denkbeeldige te stellen, als lag het ene altijd binnen handbereik en het andere op een afstand, ver weg. En dat is een schijntegenstelling.  Feiten zijn altijd binnen handbereik. Maar de samenhang tussen die feiten — wat wordt verstaan onder "werkelijkheid" — is een constructie van de verbeelding.  De werkelijkheid ligt altijd aan gene zijde van — en dat geldt voor materialisten evenzeer als voor idealisten, voor Plato en voor Marx.  Hoe men de werkelijkheid ook opvat, zij ligt aan gene zijde van een scherm van clichés. Elke cultuur brengt zo'n scherm aan, ten dele om haar eigen handelswijzen te vergemakkelijken (om gewoontevorming mogelijk te maken) en ten dele om haar eigen macht te bestendigen. De werkelijkheid is bedreigend voor degenen die macht hebben. (…) Alle moderne kunstenaars beschouwen hun vernieuwingen als een weg om de werkelijkheid dichter te benaderen, als manier om de werkelijkheid inzichtelijker te maken.  Op dit punt, en alleen op dit punt, vinden de moderne kunstenaar en de revolutionair elkaar soms aan hun zijde, geïnspireerd als beiden zijn door de idee het scherm van clichés neer te halen, clichés die in de moderne tijd onbenulliger en zelfzuchtiger zijn dan ooit tevoren.' (13) 
Holvoet-Hanssen wordt, zoals elke kunstenaar, ‘gevormd door dit onophoudelijk heen en weer gaan van zichzelf naar de anderen, halverwege de schoonheid waar hij niet buiten kan en de gemeenschap waaraan hij zich niet kan onttrekken.  Daarom minachten de ware kunstenaars niets; zij dwingen zich te begrijpen in plaats van een oordeel te vellen. En als zij in deze wereld partij moeten kiezen, kan dat alleen zijn voor een samenleving waarin, naar het grootse woord van Nietzsche, niet meer de rechter zal heersen, maar de schepper, of hij nu arbeider is of intellectueel.’ (14) Het is overigens op zo’n kruispunt dat we Peter Holvoet-Hanssen voor het eerst ontmoet hebben. We hopen dat we hem — onderweg als we allemaal zijn — nog veel tegen ’t lijf mogen lopen.
Flor Vandekerckhove.

(1) De geciteerde verzen in dit stuk komen alle uit de bundel De reis naar Inframundo van Peter Holvoet-Hanssen. 2011. A'dam, Prometheus.
(2) Mario Vargas Llosa, Een manier om ongeluk te bestrijden. 1966. Meulenhof A’dam. p.200.
(3) Lukas De Vos, De boekanier der Poëzie. In Peter Holvoet-Hanssen. Kaapvaart. 2012. uitgegeven n.a.v. de 62ste Arkprijs van het Vrije Woord. Uitg. A’pen, De vrienden van de Zwarte Panter.
(4) J.P. Sartre, Wat is literatuur. 1968. De Bezige Bij A’dam.
(5) Joris Note, Kan literatuur nog dienen voor politieke verandering? In De Wereld Morgen, 27.06.2011.
(6) Dirk De Geest, De poëziemagie van Peter Holvoet-Hanssen in Ons Erfdeel 3/2011, ps 44-53.
(7) Ib.
(8) 1966, p.157.
(9) De citaten waarin Peter Holvoet-Hanssen zelf zijn werk expliciteert komen uit mijn correspondentie met de dichter.
(10) 1966, p.54.
(11) Joris Note, Wonderlijke wapens. Essays over literatuur en politiek. A'dam. De Bezige Bij, 2013. p.9.
(12) Michaël Löwy, Herbetovering van de wereld. Romantische wortels van linkse denkers.  Leuven, 2013. uitg. Socialisme 21, Grenzeloos en Uitgavenfonds Ernest Mandel. p.46.
(13) John Berger, Een ander antwoord. Verhalen en beschouwingen. A'dam, De Bezige Bij, 1996. p.190-191.
(14) Albert Camus, Rede te Stockholm (op de uitreiking van de Nobelprijs). 10 december 1957.
Een reactie plaatsen