dinsdag 6 augustus 2013

Work in progress (XV)


 Al die veranderingen werden overkoepeld door een langdurig
evenement dat Tweede Vaticaans Concilie heette.
[Op mijn verjaardag nam ik de ondoordachte beslissing een 'autobiografie' te schrijven, een boek dat er voor niemand hoeft te zijn, behalve voor mezelf; een boek dat ik daardoor in volle vrijheid schrijf. 
Dit is het vijftiende hoofdstuk. Ik vraag me af hoever ik ermee zal gekomen zijn op de dag dat ik weer verjaar. Wie eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van onderstaande labels.]

XV.
Neen, ik mag niet klagen, tot hiertoe is ’t goed gegaan.  En 't heeft ook merkwaardig lang geduurd, dat goed gaan. In februari besluit ik dit boek te schrijven en de daaropvolgende maanden moet ik me inhouden om ’t niet in één keer, in een alles overspoelende vloedgolf van letters aan elkaar te rijgen.  De juiste woorden schieten me spontaan te binnen, zinnen volgen elkaar probleemloos op, alinea’s vormen zichzelf in een alles met zich meeslepende vloed die vier maanden geduurd heeft.  In die tijd heb ik veertien hoofdstukken geschreven, bijna vier per maand. Onderweg waan ik me al een Simenon die rap een verhaal neerpent, vervolgens een week naar de hoeren trekt en daarna weer rap een boek schrijft. 
En dan, opeens, pats! Gedaan.  Niets meer.  Ik bekijk mijn notities. Het voorgaande hoofdstuk heb ik op 19 juni afgewerkt; we zijn nu al een eeuwigheid later en ik moet nog aan het volgende beginnen.
Uitstelgedrag natuurlijk. En zoals dat altijd het geval is, heeft het een reden. Tot hiertoe heeft mijn leven zich in de wijk rond het huis afgespeeld. Daar wonen de mensen die ik ken, daar loop ik school, daar wonen mijn speelkameraden, daar woont mijn familie. Daar laat mijn moeder de bel klinken als ’t tijd is om te eten.  De wijk is een geheel, mijn organische wereld, op een natuurlijke wijze afgezoomd en overzichtelijk. Daar is vaders wil wet, daar zorgt moeder ervoor dat die wet gerespecteerd wordt. Daar groei ik op te midden van zekerheden die mee door de jaargetijden bepaald worden. Koren dat gezaaid wordt, groeit, rijpt en wordt afgereden.  Velden die vervolgens leeg blijven liggen tot alles weer opnieuw begint. Toeristen die toekomen, een tijdje blijven en weer vertrekken. Alles baadt in zekerheden. En ook wel in de verveling die ons in die dagen vergezelt, net zoals de zon die opkomt en ondergaat.
Die wijk waarin ik leefde, was mijn wereld. Ten noorden werd die afgebakend door de zee, ten zuiden door de polders, in het oosten fungeerde de Visserskapel als merkteken en ten westen was er de oude molen. Het waren grenzen die wij, spelende kinderen, zelden overschreden.
Ik herinner me dat grotere kinderen jaarlijks een voetbalmatch speelden waarvan wij, kleintjes, de toeschouwers waren. Die van de Duinen tegen die van ’t Dorp. De eersten kenden we allemaal, dat waren onze grote jongens; die van ‘t Dorp kenden we niet, die leefden van ons gescheiden, ver in de polders, daar waar de Duinenstraat overging in de Sluizenstraat, ten teken dat je in een andere wereld terechtkwam… en dat was nauwelijks een paar kilometer verder.
Heel soms trokken we fietsend op avontuur en overschreden we de grenzen. We lieten ons dan overweldigen door exotische plekken als de Spuikom waarin Haelewyck zijn oesters kweekte, of door het Dorp waar de landman over de dingen heerste. Een enkele keer trokken we de merkwaardige wijk achter de Visserskapel in, waar we een maat hadden wonen…
Ten westen trokken we zelden verder dan de oude molen, een houten bouwsel dat in die tijd al geen wieken meer had. De houten staakmolen was in 1919 gebouwd om koren te malen. In de jaren dertig werd hij niet meer gebruikt. In 1947 werd het wiekenkruis afgerukt door een storm. In 1959 werd de vermolmde molenromp omver getrokken. (Hadden we toen ook al het vermoeden dat de nakende jaren zestig ook de andere vermolmde zekerheden omver zouden trekken? Ik denk het niet.)
Jaarlijks hadden we de toeristen zien toekomen en jaar na jaar, tegen het einde van de zomer, hadden we ze ook weer zien vertrekken; altijd dezelfde toeristen die altijd bij dezelfde mensen gingen logeren; ónze toeristen. In juli stroomden ze toe, gepakt en gezakt, in wat wij de valiezenkoers noemden.  Ze bezetten er onze koterijen die wij appartementen noemden.  De straten vulden zich met een menggeur van zonnebrandolie en zeezout die zij in hun dagelijkse tocht van en naar het strand op de stoep achterlieten.  In de winkels schoten de prijzen omhoog en uit de openstaande deuren van de cafés schalde het geluid van de jukebox.  En elke septembermaand veranderde het badplaatsje weer in een boerengat waar niemand er ook maar aan dacht vijf frank in de gleuf van een jukebox te steken; waar de noordenwind je benen zandstraalde en de mensen zich kop in kas naar huis haastten om er in schaarste drie seizoenen te overleven, geduldig wachtend op de toeristen die — zeker weten — weer zouden komen om de kas te spijzen.
Dagelijks stond ik in het deurgat over de straat uit te kijken; mijn straat, mijn wereld. Dagelijks zag ik dezelfde mensen in dezelfde kleren dezelfde weg afleggen om dezelfde boodschappen in huis te halen. Nu en dan stierf er iemand en dan kwam er weer iemand bij. Wekelijks kwam een boer, met paard en kar, het vuil ophalen. Twee keer per jaar trok mijn moeder naar Oostende om er inkopen te doen, een voor de zomer en een voor de winter. Jaarlijks werd boer Lagast ingeschakeld om met paard en kar de afgebroken strandcabines te herbergen, Een keer per jaar passeerde de scharensliep en een keer per jaar kwam de pastoor thuis op bezoek. Met grote tussenpozen vervingen nieuwe kleren de oude waar ik al enige tijd uitgegroeid was.
Ik stond in het deurgat en dacht na over mijn toekomst.  Als mijn ouders toch beslist hadden dat ik geen beenhouwer zou worden dan was er misschien een kans dat ik later schuin tegenover de ouderlijke woning in het kleine huisje van de ouwe Van Blaere ging wonen. Ik zou daar leven met een trouwe herdershond aan mijn zij en er schilderijen produceren in de stijl van monsieur Gillot. ’s Avonds, na de dagtaak, zou ik de hond uitlaten; in ’t weerkeren van het strand zou ik in ‘t café van Alida een glas drinken waarna een deugddoende nacht me tot het produceren van nieuwe schilderijen zou inspireren: zonovergoten dreven, wuivend duinhelm en woest opspattende golven, en natuurlijk ook impressies van onze straat, ja vooral beelden van onze straat.
Dat is de wereld zoals ik die, veertien hoofdstukken lang, haast in een automatisme, beschreven heb. En nu, in dit vijftiende hoofdstuk, begint heel die constructie te wankelen. De knaap wordt puber, grenzen dienen per se overschreden te worden, onveranderlijke tijden veranderen, de wereld barst open, het decor wijzigt, de inhoud van dit boek verandert en daardoor wellicht ook de vorm. Daarom duurt het ook zo lang vooraleer ik aan dit hoofdstuk verder werk: omdat ik niet goed weet hoe die veranderingen in het boek vorm moeten krijgen.
Zoek ik het te ver en kan ik gewoon verder schrijven zoals ik het tot hiertoe gedaan heb? Of is ’t anders? Moet het vertelperspectief wijzigen?  Ik twijfel en twijfel en twijfel en kom daardoor niet meer aan schrijven toe. Komt er een stijlbreuk? Is dit het begin van een tweede deel? En als dat zo is, zal dit deel dan eveneens veertien hoofdstukken tellen en zal dat dan eindigen wanneer ik achttien geworden ben, een leeftijd waarop de dingen weer helemaal anders worden?
Veel kans overigens dat ik hier, op dit moment, mijn hand begin te overspelen. Elk boek heeft zo’n moment, en voor wat dit boek betreft valt dit moment hier en nu.  Ik zie ’t voor mijn ogen gebeuren, kijk, daar komt het! Voor mijn geestesoog verschijnen tal van mogelijkheden die me alleen maar naar nieuwe problemen zullen leiden. Een voorbeeld: kan ik de breuk in dit boek vorm geven door vanaf nu een nieuwe alwetende verteller in te schakelen, iemand die over de ik-figuur schrijft, waardoor die ik-figuur in het tweede deel een hij wordt?  Zo’n ingreep zou inderdaad het vormelijke antwoord kunnen zijn op de veranderingen die zich onmiskenbaar aankondigen.  Ja, denk ik dan, dat zou ik kunnen.  Maar daar stopt het helaas niet — dat doet het nooit  — dan gaat het verder. Kan die nieuwe, alwetende verteller bijvoorbeeld tegelijk de knaap zijn die in het eerste deel de ik-figuur was? Kan het kind degene zijn die de puber observeert en becommentarieert?  Het mag op filosofisch gewauwel lijken (wat het wellicht ook is) het zou wel een frisse benadering kunnen opleveren, ‘t zou een leuk spelletje à la the child is father of the man kunnen worden.
Zou ik dat kunnen? Misschien wel ja. Zou ik er mijn hand mee overspelen?  Daar bestaat veel kans toe, ja. Laat me er dus nog even over nadenken terwijl ik verder schrijf, want al die problemen lossen zichzelf uiteraard op in het schrijven. En mocht er, tegen alle verwachtingen in, toch een lezer zijn die dit boek in zijn geheel tot zich neemt, dan zal die wel zien hoe deze kwestie aangepakt werd en of de kwestie al dan niet een bevredigende oplossing gekregen heeft.
Alles, echt alles, begon te wankelen toen ik de wijkschool in Bredene achter me liet en ik dagelijks de tram naar Oostende begon te nemen.  Ik stapte op die tram en zag door de ramen hoe de wereld van mijn jeugd ineen begon te storten om plaats te maken voor het vreemde.
Toen ik die dag op die tram stapte was het ophefmakende Softenonproces aan de gang, de voorafbeelding van een toekomst waarin de pillenindustrie letterlijk het leven in handen neemt; toen ik diezelfde dag weer van die tram stapte vernam ik dat monsieur Gillot het tijdelijke voor het eeuwige gewisseld had, waardoor mijn blik op andere schilders — van Altamira tot heden — gericht kon worden; onderweg van het station naar huis zag ik dat het vuilnis nu door speciaal daarvoor ontworpen vrachtwagens opgehaald werd, de start van een milieubeleid dat een aantal decennia later zou resulteren in PMD-zakken en containerparken; het toerisme verplaatste zich vanuit de wijk naar de campingzone en van daar nog verder weg, naar Spanje, waardoor de broodwinning van mijn ouders in ’t gedrang kwam en de riem nog een beetje meer aangespannen werd. De ouwe Van Blaere verdween uit mijn blikveld en zijn kleindochter bezette als vanzelf de zo ontstane leegte; Radio Luxembourg werd van de kaart gespeeld door piratenzenders die vanuit zee ter ether kwamen; mijn onsterfelijk gewaande dooppeter stierf; mijn moeder wees me op een voorlichtingsboekje in de schuif, dat ik straal negeerde zolang mijn ouders in de buurt waren; de Grote Treinroof sloot tegelijk een misdaadtijdperk af en opende een nieuw; ik begon schoenen met scherpe toppen te dragen, waardoor mijn tenen er vandaag verkrampt uitzien; de Ford Mustang voerde de mensheid naar het opgefokte tijdperk van Johnny & Marina; er hing een gerucht in de lucht dat The Beatles heette; Etienne Vermeersch smeet in die dagen zijn kap over d’ haag waardoor er een moderniseringsgolf over het kerkvolk trok; Gigliola Cinquetti had er de leeftijd niet voor maar deed het heimelijk toch; ik kreeg een jeans aangepast die spijkerbroek genoemd werd; in de krantenwinkel van Paula Mestdagh kocht ik een wimpel met Vlaamse leeuw en bond die achteraan mijn fiets vast, zoals de langharige, blonde meiden het deden die jaarlijks naar Diksmuide fietsten om daar de IJzerbedevaart bij te wonen (mijn vlaggetje maakte op hen helaas niet de verhoopte indruk); Provo, Malcolm X, Goldfinger, de Top 40, Vietnam, de billen van mijn nicht, Mobutu… In het lunapark leerde ik een Christine uit Charleroi kennen die me haar borsten toonde in ruil voor mijn eeuwige trouw, een belofte die de daaropvolgende schoolperiode niet overleefde en waardoor ze aan ’t begin van de volgende vakantie buitensporig veel moest huilen; ik begon aandacht te besteden aan mijn imago en sloeg nu en dan op mijn eigen neus in de hoop dat die zou breken en ik eruit zou zien als een bokser. En al die veranderingen werden overkoepeld door een langdurig evenement dat Tweede Vaticaans Concilie heette.
Op 11 oktober 1962 opende de sympathieke paus Johannes XXIII de ramen van zijn doening in Vaticaanstad en sprak de daar 2540 verzamelde bisschoppen toe: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.’ Dat zei hij natuurlijk niet letterlijk, want het citaat komt van Guiseppe Tomasi, de laatste prins van Lampedusa; maar wat die lamme goedzak van een paus daar zei komt wel op hetzelfde neer.
Je houdt het vandaag haast niet meer voor mogelijk, maar dat concilie speelde een grote rol in ons leven. In het college werden debatten georganiseerd: voor- en tegenstanders van het aggiornamento gingen met elkaar in de clinch; we stelden een delegatie samen die onze verlangens, dan wel eisen, aan Rome zou overmaken.  We spraken van oecumene, catechese, diaconie, hermeneutiek, dogmatiek en synode alsof het niets was. En als we nu eens het altaar omkeerden? Of de stoelen? En als we nu eens alles lieten staan en de pastoor omkeerden? En als we het nu eens in het Nederlands (de volkstaal!) deden? Of in ’t Engels, want dat verstaat iedereen (behalve de kleine De Vos uit Oudenburg die voor dat vak zakte.) En als we de duur van de mis nu eens halveerden? Ik dacht wel dat mijn vader zo’n vernieuwing zou weten te appreciëren. En als we de catechismus afschaften? Konden we het orgel laten zwijgen en de elektrische gitaar het werk laten doen? Mochten we de hostie in onze handen nemen, ook als die handen niet gewassen waren? Bestond de duivel? Dat was een moeilijke, veel moeilijker dan de kwestie van de aflaten.  En bestond het voorgeborchte, een plek die andersdenkenden nogal eens verwarden met het vagevuur? Zouden we onze verzuchtingen per fiets naar Rome brengen, per trein of per Ford Mustang? 
U begrijpt het wel, in Rome zijn we niet geraakt, want over alles waren we het oneens. Nog een geluk dat er ook problemen waren die aan onze aandacht ontsnapten, zoals dat van vrouwen die per se priester wilden worden; dat stond niet ter discussie in een jongensschool en evenmin in een concilie waarin alles ter discussie gesteld werd.
Ter discussie stond wel ene Marcel Brauns. U kent deze mens niet, maar de vraag of die pater wel dan niet uit de partij, de orde en de kerk gegooid moest worden, laaide indertijd hoog op. Met de partij wordt deze van de Vlaams-nationalisten bedoeld die in die jaren opgang maakte en die in dat college over vaardige agitatoren beschikte, zowel in het lerarenkorps als onder de leerlingen; de orde die met deze Marcel danig verveeld zat is die van de jezuïeten die hem uiteindelijk zouden exclaustreren (een typisch jezuïtisch woord is dat); en de kerk, ja dat is de kerk die in die tijd alle richtingen uitging, maar niet deze die deze pater Brauns voor ogen stond.  Zijn uitgangspunt zag ik later treffend verwoord in een titel van zijn tijdschriftje: ‘Vlaanderen heeft geen pillen nodig, maar kinderen!’  Hij isoleerde zich met zo’n standpunten, zeker bij ons, jongeren.  Zelf waren we de kindertijd immers aan ’t ontgroeien, we vonden dat we al lang genoeg kind geweest waren in Vlaanderen. Ons moest je niet overtuigen van de voordelen van de pil en dat zou zo blijven tot het aidstijdperk veel, veel jaren later zijn intrede zou doen.  De straffe gods, zo zal pater Brauns daarover wel gedacht (en geschreven) hebben. Maar tegen die tijd luisterde er al niemand meer. Of het zou die veertig procent van de bevolking moeten zijn dat vandaag nog altijd (of weer) voor de Vlaams-nationalisten stemt.  
De tram nam me mee, weg uit mijn kindertijd, en zette me af op een plek waar ik als een buitenstaander terechtkwam. Wat een vreemd land is dit, zo vroeg ik me af, die plek waar ik terechtgekomen ben.  Het is een begrijpelijke vraag, gesteld door een kind dat uit zijn natuurlijke milieu weggerukt wordt. Eerlijkheidshalve moet ik hier evenwel aan toevoegen dat ik me die vraag ook al stelde kort nadat ik geboren was.  En als ik heel, heel eerlijk wil zijn, dan moet ik toegeven dat ik me die vraag vandaag nog altijd stel.  Misschien is 't wel die vraag die me ooit aan 't schrijven gezet heeft. Een mooie gedachte vind ik dat, en zelfs indien 't niet waar zou zijn, dan blijft 't toch nog een mooie gedachte.
Een reactie plaatsen