zondag 11 mei 2014

Oostende spookstad (III)


Lijnbaanstraat in de jaren 50. (Foto Roland). We zien nog de oude
huizenrij die nu grotendeels gesloopt is.
Weet je wat ’t is? Er zijn maar weinig Oostendenaars die willen toegeven dat het thuis spookt. Toch zijn er ook vandaag nog dergelijke huizen in de stad te vinden. Alom bekend is bijvoorbeeld dat ’t spookt in de Villa Maritza, een restant van de zeedijkarchitectuur uit de Belle Epoque, op de Albert I promenade. Journalisten die erover willen berichten, komen steevast van een kale reis thuis, want degenen die het kunnen weten houden de kiezen op elkaar.
Dat gebeurt wel meer. In de Vlaamse Volksverhalenbank stoot ik op een getuigenis uit 1958: ‘Zo is er hier in het Liemerstraatje ofte het Lijnbaanstraatje een geest die terugkomt en iedere nacht alle meubels van het huisje doet dansen en rammelen. Meer hierover mag ik niet vertellen daar die familie nog leeft.’
Of die familie ook vandaag nog leeft kan ik niet zeggen, maar de Lijnbaanstraat kun je geen straatje meer noemen. Da’s minder een straat dan wel een parkingplaats. De plek is zo breed geworden doordat er een hele huizenrij gesloopt werd.
Vroeger, tot halverwege de vorige eeuw, was ’t wel degelijk een armoedig en smal straatje. Daar stonden ook de oudste huizen. Die hadden een gootje dat doorheen de voorgevel ging en diende om het kuiswater naar het riool af te voeren. Over een huis met zo’n afvoergootje bestaat een Oostends griezelverhaal.
In de Lijnbaanstraat woont er een drinkebroer die tot ergernis van zijn echtgenote elke avond op stap gaat. De getuige vertelt: ‘Je komdie nu van üt ze cafeetjes in ’t gat in de nacht en je ziet toar zo’n klèèn oendje lopen en je roept da bèèsje. Mo oe naoder da ta bèèsje komt, oe grotter da dien oend wordt, zodaonig o’t op e step of tiene van em komt, is ’t zo groot of ’n ezel. E je goat an ’t lopen toe an ’t Liemboarstratje en oe mèèr datten liep, ’t was op lange laste zo groot of e pêerd. En je vlucht in z’n üs en je smiet da durtje toe,’  [Een man die naar het café was geweest, kwam op de weg naar huis een klein hondje tegen. De man riep naar het dier en kwam dichterbij. Naarmate de man dichter bij de hond kwam, werd het dier steeds groter. Toen het beest zo groot als een ezel was geworden, sloeg de man op de vlucht. Hij liep snel naar zijn huis in het Lijnbaanstraatje terwijl een dier zo groot als een paard, achter hem aan zat. Thuisgekomen gooide de man snel de deur dicht.]
Die mens denkt dat hij aan het ding ontsnapt is, maar het verhaal krijgt een staart van het type waarvan Stephen King later zijn specialiteit gemaakt heeft, ‘mor aamedekèè stikt die groete noend ze kop deur da gotegat en gif en schrikkelik hakilg gelüt.’ [Het volgende ogenblik stak de grote hond zijn kop door het afvoergat van het water en maakte een akelig geluid.]
Toch is ‘t uiteindelijk goed gekomen, want ‘die vint â nooit mi durven ütgoan. Je was genezen.’ Of hoe ’t zien van zo’n spook ook goede gevolgen kan hebben.
Meestal loopt het slechter af. Afvoerputjes, gootstenen, lavabo’s en badkuipen… Alles wat in verbinding staat met het riool is een weg waarlangs het kwade in huis kan komen. Er zijn tal van griezelverhalen waar ‘het’ op die manier gebeurt, zoals dat ook het geval is in Kitchen Sink, een korte horrorfilm uit 1989, die eerst nog op ’t net te zien was, maar nu niet meer wegens opeens verwijderd. Bovenaardse krachten? Wel neen, gewoon een kwestie van copyright. 
Flor Vandekerckhove

Een reactie plaatsen