zondag 11 mei 2014

Oostende spookstad (II)


Jack Nicholson in Wolf (1994) —
Dat Oostende een ware spookstad is, wordt afdoende aangetoond in de Vlaamse Volksverhalenbank, waarin niet minder dan 174 plaatselijke getuigenissen verzameld werden van spookachtige gebeurtenissen. Waternikkers, witte vrouwen, heksen, tovenaars, vuur-, lucht-, water- en plaaggeesten à volonté. Duivels, betoverde kiekens, katten, honden, ratten, muizen en geestelijken… het passeert daar allemaal de revue.
Tussen al die angstaanjagende gebeurtenissen wordt vreemd genoeg maar één keer op de aanwezigheid van een weerwolf gewezen. In 1958 schrijft Katrien Van Effelterre het verhaal op van een vrouw die haar kleinkind altijd bang maakte door te vertellen over een weerwolf: ‘Dat moet nu een 60 jaar geleden zijn, mijn grootmoeder bedreigde mij dan altijd met een grote zwarte hond met rammelende ketens, dat was de weerwolf, zei ze, die rondliep.’
’t Is een beetje ’n magere getuigenis, vind ik, maar voor mij is ’t genoeg om u iets te vertellen over mijn favoriete weerwolffilm, toepasselijk Wolf genaamd. Jack Nicholson is in die film uit 1994 de weerwolf van dienst.
Will Randall (Nicholson) wordt door een wolf gebeten en ja, ’t is van dat. De film zou er een van dertien in een dozijn geworden zijn, ware het niet dat de hoofdfiguur in staat blijkt om zelfs op de meest kritieke momenten over zijn toch wel penibele situatie sardonische uitspraken te formuleren.
De mooiste vind ik deze: Will Randall kijkt in de spiegel en ziet hoe hij van mens in wolf transformeert. De haargroei op zijn gezicht neemt zienderogen toe en hij zegt grijnzend: ‘I’m not only the president of the Hair Club for men, I’m also a member.’ En hop, daar gaat hij via ’t raam de nacht in, om te doen wat weerwolven nu eenmaal doen.
Uiteraard is het evident dat de voorzitter van de Haarclub er lid van is en het is de omkering die de uitspraak zo geestig maakt: ik ben niet alleen de voorzitter, ik ben ook een lid. Maar er zit, zo heb ik inmiddels ontdekt, nog een axtra laagje onder.
De uitspraak speelt met een tekst die in Amerika in 1986 in een advertentie te horen was. Die reclame zei tot kaalhoofdige mannen dat er nog hoop was. Zij konden lid worden van de Hair Club die hen weer van haar zou voorzien. De reclame wordt ingesproken door een man met een overtuigende haardos, die zijn beste argument tot ’t einde spaart, wanneer hij een foto van zichzelf als kaalhoofdige bovenhaalt en zegt: ‘But not only am I the Hair Club President, I’m also a client.’
Kijk, daar kan ik nu echt van genieten, van zo’n weetjes. Ze zijn toch wel de balletjes in de soep van ’t leven, vind ik. 
Zo, dat wilde ik toch even kwijt, vooraleer ik me op andere, meer voorkomende spookverhalen uit Oostende stort.
Flor Vandekerckhove



Een reactie posten