zaterdag 3 mei 2014

Concordia


De Mary Celeste: niemand aan boord.
Ik produceer mijn verhalen op dezelfde manier als de ploeg van TV1 een journaal maakt. ’s Morgens pik ik een hap uit de krant en tegen ‘s avonds heb ik er beelden bij gemaakt. Daarom ook lees ik de kranten in de kroeg. Als mijn oog op iets valt, dan werp ik het op de toog (elders zegt men 'in de groep werpen'), en hopla, daar tekenen zich alweder de contouren van een nieuw verhaal af. Of de toog als redactieraad.
Op woensdag 30 april is het een titel uit Het Nieuwsblad: Kapitein Costa Concordia geeft bemanning de schuld. Het cruiseschip, dat in januari 2012 voor de kust tegen een rots vaart, haalt dik twee jaar later nog altijd het nieuws.
Ik vraag luidop wat mijn kompanen ervan denken. En kijk, de inspiratie komt van de Heistse lichtmatroos Dikke Turf: ‘Een schip mag nooit Concordia heten, met zo’n naam zal het ten eeuwigen dage een onderwerp blijven.’
Ha, ja natuurlijk, ’t zal een spookschip zijn. Hoe ik daar zelf niet aan gedacht heb, want ik herinner me wel een Amerikaanse horror uit 2002, Ghost Ship, dat zich ook op een cruiseschip als de Costa Concordia afspeelt. In de openingsscène zingt de bevallige Francesca Rettondine het mooie Senza Fine, Italiaans voor Eindeloos. Da’s inderdaad ’t lot van zo’n schepen, ze zijn gedoemd om eindeloos het nieuws te blijven halen, als waren ze verdwenen panelen van 't Lam Gods.
Ook de Chileense driemaster Caleuche duikt regelmatig op, zij het alleen ’s nachts. Aan boord klinken dan feestelijke geluiden, wat eigenaardig is, want het schip wordt bemand door een zootje verdronken zeelui. Over dat schip werden al boeken geschreven, films gedraaid en zelfs een lied gemaakt, heavy metal uiteraard.
Een van die Caleuchefilms heet The ship of fools. Met zo’n titel kun je diep in ’t internet duiken. Jeroen Bosch heeft een schilderij gemaakt dat zo heet en eerder gebruikt Plato het beeld van het narrenschip als allegorie om er een stuurloze mensheid mee te verbeelden. Katherine Anne Porter schrijft in 1962 een roman onder die naam en op dat boek wordt in 1965 een film gebaseerd. De Franse Michel Foucault heeft er zijn zeg over gedaan en de Amerikaan Theorore Kaczynski, de unabomber!, eveneens. Het narrenschip is ook de naam van een ruimteschip in een sciencefictionroman. En er zijn songs geschreven onder die titel: The Doors, John Cale, Grateful Dead… U begrijpt dat ik mijn weg aan ’t verliezen ben.
De Vliegende Hollander: voor eeuwig op zee.
Historisch is het verhaal van de schoener Jenny. Dat schip komt in 1823 in het pakijs vast te zitten. Het wordt pas 17 jaar later ontdekt als daar een walvisvaarder passeert. De koude heeft de lichamen geconserveerd. De kapitein zit nog in zijn stoel, terwijl hij de pen vasthoudt waarmee hij zijn logboek aangevuld heeft met de veelzeggende laatste woorden: May 4, 1823. No food for 71 days. I am the only one left alive.
De Australlische dichter Sydney Marning bezingt de Jenny wondermooi als een: ‘ship caught in a bottle, becalmed in Time and sealed with a cork of ice.’ Dat valt niet te evenaren, vind ik, of het zou door de Franse meester Jacques Tardi moeten zijn die de Jenny in 1974 weer laat varen in de striproman Le demon des glaces. Sindsdien doorklieft het de luchten. Moet kunnen, want een zeppelin doet dat tenslotte ook.
Het gebeurt wel meer dat een kapitein goed bewaard weergevonden wordt. De verdwenen Octavius wordt in 1775 ten westen van Groenland ontdekt. Ook daar zit de kapitein vriesvers, zoals dat in de Colruyt heet, achter de tafel in zijn hut, pen in de hand.
Spookachtig is ook wat in 1861 met de brik Mary Celeste gebeurt. Het schip verdwijnt figuurlijk van de radar en wanneer men het eindelijk stuurloos aantreft blijkt er niemand aan boord te zijn: spooky genoeg om er een luisterspel van te maken, wat ook gebeurd is.
De schoener Lady Lovibond lijdt in 1748 schipbreuk. Iedereen komt daarbij om het leven. Maar op 13 februari — een vrijdag? — 1798 wordt het toch weer gezien, weliswaar omgeven door een groenig licht. Nog eens in 1848 en ook in 1948. En het lemma Lady Lovibond op de Wikipedia sluit af met de merkwaardige zin: ‘In 1998 is het schip niet gezien.’  Wat normaal is, maar in zo’n context krijgt ook het normale een geheimzinnige betekenis.
Het meest bekende spookschip is uiteraard De Vliegende Hollander die voor eeuwig en altijd de zeeën doorkruist. Dat komt wellicht door de Friese kapitein Barend Fockeszoon die in 1678 een pact met de duivel sluit, waardoor hij zeven jaar lang letterlijk de wind in de zeilen krijgt. In ruil moet het schip daarna eeuwig ronddolen.
Er bestaan varianten. Ik zoek ze op en geraak al doende in de Vlaamse Volksverhalenbank die ik u zeer aanraad (*)
Osschaert, in Oostende een spookschip,
in Adegem een café.
Daar tref ik onder meer een Oostendse Vliegende Hollander aan: ‘Vroeger woonde in Oostende een man die kapitein was van de Osschaert, een roofschip. Op een dag werd de Osschaert aangevallen door een vloot van zeven Turkse schepen. De kapitein zegde snel een gebedje voor zijn eigen welzijn en sprong in zee zonder zich om zijn bemanning te bekommeren. Na zijn dood moest de kapitein als straf duizend jaar op zee ronddolen op een spookschip. Als men het spook tegenkwam, mocht men er zeker van zijn geen vis meer te zullen vangen.’ Wat meteen een verklaring geeft voor de magere tongvangsten van de jongste jaren. We gaan verder: ‘Het spook verscheen vooral bij stormweer; anders verschool het zich in de duinen. De vissers van Heist hadden ook zo'n spookschip: de Concordia.’
En daar verschijnt onverwachts… Concordia, scheepsnaam die je, dixit Dikke Turf uit Heist, nooit aan een schip mag geven. Ook over die Concordia vind ik een en ander in de volksverhalenbank: ‘In Heist zou een spookschip rondvaren, waarvan men de bemanning kon horen roepen.’
Iemand die het ook kan weten, vertelt in die verhalenbank nochtans iets helemaal anders: ‘Toen het schip 'de Concordia' dreigde te vergaan, sloot de kapitein een pact met de waterduivel. De kapitein verkocht zijn ziel, op voorwaarde dat hij nog twintig jaar lang zou mogen varen. Twintig jaar later liet de kapitein het schip met volle snelheid varen en hij liet de tros touwen insmeren met zeep. Toen de waterduivel verscheen, zei hij: "Je moet die tros goed vasthouden". De tros was echter zo glad, dat de duivel onmiddellijk in het water viel. Zo is de kapitein erin geslaagd zijn ziel te houden.’
De getuigen spreken elkaar tegen. Wat moet een mens daar nu van denken? Ik zal ’t morgen eens aan Dikke Turf vragen.
Flor Vandekerckhove


Een reactie plaatsen