dinsdag 9 september 2014

Geschiedenis van mijn duivenkot (I)

Hugo was een toffe kerel en hij is dat vandaag wellicht nog altijd, maar ik moet toch in de verleden tijd spreken, want dit verhaal begint ergens halverwege de vorige eeuw, wanneer Hugo bij ons thuis aan de deurbel trekt.
Of ik zin had om te fietsen. Wel ja, altijd, zeker met Hugo, want hij was, zoals gezegd, een toffe kerel. Toch zei ik neen. Wat Hugo danig verwonderde en mij nog meer. Maar ik zei neen omwille van een goede reden. Ik was mezelf op dat moment helemaal in een boek aan ’t verliezen. Het was een magische ervaring, nooit eerder beleefd, en ik wilde haar niet onderbreken omdat ik vreesde dat het dan voorgoed weg zou zijn. Ik had daarin gelijk, want magische momenten zijn, dat weet u ook wel, even vluchtig als zeldzaam.
Dat moment heeft mijn leven sterk bepaald. Het heeft van mij een lezer gemaakt, een soort lezer, het soort lezer dat voortdurend speurt naar dat ene boek dat er echt toe doet. Want dit is wat dat moment me geleerd heeft: zo’n boeken bestaan. Zo’n sublieme leeservaring zit helaas verborgen in een hoek waar je haar, zeker als kind, niet verwacht, je kiest ’t moment niet en evenmin het boek. In mijn geval had ik het liever anders gehad, want het boek was een slechte roman waarin Aster Berkhof op zoek gaat naar het dorp van zijn jeugd; een streekroman. Ik had het liever anders gehad, maar het is zoals het is: Isidoor, de antiheld uit dat boek met dezelfde titel, werd mijn grote voorbeeld.
Andere jongens hadden daarin meer geluk, zij namen echte helden tot voorbeeld: Zorro, Rik Van Looy, Robrecht Graaf van Vlaanderen, Don Camillo, Kuifje, Jan zonder Vrees, Piet Hein… Keuze te over, maar ik koos voor een landelijke kleinburger, een lagere bediende, een verzekeraar in bijberoep, een dorpeling.
‘Ge moogt de vijftig voorbij zijn, en Isidoor was ze een heel eind voorbij; ge moogt dertig jaar als boekhouder op een kantoor gewerkt hebben, en bij Isidoor waren het er vierendertig; ge moogt in die tussentijd een buik en een dubbele kin gekregen hebben, en die kin van Isidoor die kon tellen; ge moogt lid van de kerkfabriek, bestuurslid van de fanfare, en selectieheer van de voetbal zijn, en daar waren de beenhouwer en de architect geen beetje jaloers op; ge moogt een vrouw en vier kinderen hebben, en al die kinderen mogen de mazelen, de kinkhoest en de rodehond gehad hebben, en dat hadden die van Isidoor gehad, alle vier; ge moogt een oude kneut van een inwonende schoonzuster gehad hebben, die ge verplettert onder uw verachting, en dat deed Isidoor, uit de grond van zijn hart; ge moogt ook een meid hebben, die alles afluistert, en uw schoenen wegstopt, in plaats van ze te poetsen en dat deed ze, de geniepige kween; ge moogt daarenboven in publieke ruzie liggen met de oude gepensioneerde postmeester, die jaloers is, omdat gij een huis hebt, en hij niet, en die uit wraak altijd de gracht toestopt, waarlangs uw tuin moet afwateren, maar dat was iets, dat niet lang meer ging schoon staan; en ge moogt tenslotte iedere winter het flerecijn krijgen op regiem staan voor uw hoge bloeddruk, en heel het jaar door vallingen hebben om uw keel tot scheurens toe stuk te hoesten, en van hoesten gepraat, dat kon Isidoor; — het heeft allemaal niet het minste belang.
Als ge op zo’n zaterdagnamiddag gedaan hebt met uw werk, en ge stapt uit de bus, en ge kijkt naar dat stille dorp, waar ge als kind zijt opgegroeid, en waar ge altijd naar terugkeert als naar een veilige haven, en ge ziet die bekende huizen, die liggen te stoven in de zon, die stomp van een uitgebrande kerktoren, die in de druilerige stilte staat te soezen, die warme zandwegen, die links en rechts van de steenweg tussen de goudgele, broeiend hete korenvelden verdwijnen, die donkergroene dennenbossen en elzenkanten in de verte, die trillen in de laaiende hitte en die blauwe lucht tenslotte, die alles overkoepelt, en waarin de zon als een grote, witte diamant hangt te gloeien: als ge dat allemaal ziet, en ge denkt daarbij: ik heb een schoon huis, helemaal van mij, en daar kan niemand mij uitzetten, dan moogt ge zijn wie ge wilt, ge trekt uw schouders achteruit, ge ademt zo diep, dat uw borst er krachtig van opengaat, en uw hart, dat sinds dertig jaar vecht tegen verschrompeling en verdorring, begint triomfantelijk te bonzen, zo heftig, dat ge nadien een hele tijd de ogen moet sluiten, om van de duizeligheid te bekomen.’
Dat vond ik mooi geschreven en dat vind ik vandaag nog altijd. Maar nu ik dat boek helemaal herlezen heb, weet ik ook dat het de mooiste bladzijden zijn van een voor de rest slecht boek. Hoe dan ook, Ik was tien toen ik die woorden voor het eerst las en ik had mijn grote voorbeeld gevonden. Ik wilde Isidoor worden. Dat ik dat wilde bereiken door duiven te kweken is merkwaardig, want Isidoor was zelf geen duivenmelker, zo lees ik nu tot mijn verwondering. Hij was een boekhouder en een verzekeringsagent, bezigheden die mij dan weer geenszins aantrokken wegens te weinig avontuur. De duivenmelkerij daarentegen…
Flor Vandekerckhove

Aster Berkhof. Isidoor. (1951)  Derde druk. Hasselt, Uitg. Heideland. 1963. 289 ps.

[Het vervolg vind je in het hieronder staande stukje Geschiedenis van mijn duivenkot (II)]


Een reactie posten