zondag 14 september 2014

Cora

— Ik wijs naar een kleine carrousel waarvan de polyester de
strijd tegen de natuur aan 't verliezen is —
Je slaat een verharde landweg in, tussen twee maïsvelden die je in deze tijd van het jaar het uitzicht op het omliggende landschap ontnemen, en wanneer je er weer uitkomt, heb je een grens overschreden, de taalgrens. Je ziet dat meteen, want op die plek, aan gene zijde van de maïs, waar je een drukke straat moet kruisen, is alles anders. En je zegt: Ergens onderweg, tussen die maïs, moet ’t gebeurd zijn.
Daar staan we nu te kijken. Aan deze zijde van de straat ligt een ouwe boerderij. Een ondernemende medemens heeft die omgebouwd tot iets wat deerlijk mislukt is, want het project werd inmiddels aan de elementen overgelaten en het is daar nu zeer défendu om dat half afgewerkte gat in de markt te betreden. Omdat niets zo leuk is als het bekijken van andermans mislukking maken we er foto’s van. Dat trekt de aandacht van een koppel dat aan de overkant woont, vlak tegenover die stukgelopen mercantiele droom. Nog voor we de straat oversteken hebben ze zich al voor hun woonst opgesteld. Die twee vallen niet te negeren.
Vlaams of Frans? Hun vraag is in dat grensgebied begrijpelijk. Maar wij zijn wandelaars die van tussen de maïs komen, dus uit Vlaanderen, en we spreken Nederlands, net als die twee trouwens. De man doet me aan iemand denken die ik niet meteen kan thuiswijzen en beiden zien ze eruit als ouwe hippies die de drukte lang geleden achter zich gelaten hebben om aan gene zijde van de maïs een leven van de Franse slag te leven. Dat is hun trouwens ja en neen gelukt. Ja, ze wonen daar al vele jaren en ze leven goed. Ten bewijze vertelt de man me over zijn hond die het op ’t erf veertien jaar uitgezongen heeft, daar waar zo’n beest elders maar tien jaar leeft. Het is een krachtig argument, maar, neen, aan dat goede leven is nu helaas een einde gekomen: de hond is dood, de regen zuur, het gat in de ozon groot; het klimaat verandert: gletsjers kalven af, het water stijgt, de grond vervuilt, we worden oud. Hij wijst naar de plek waar we de foto’s genomen hebben: Daar komt een shopping center, en zijn hippievrouw bevestigt: Ja, ze gaan daar een megawinkelcentrum bouwen. Ze heeft het over 40.000 vierkante meter — een hele hoop maïs als je daar je blik over laat gaan— winkels, boetieks, een drive-in, parking voor bijna drieduizend auto’s en een hypermarkt van de keten Cora. Ze kijkt naar het trieste, half afgewerkte bouwwerk aan de overkant. Ik zie tranen in haar ogen. Een groot succes is ’t blijkbaar niet, zeg ik in een goedkope poging om haar te troosten, en ik wijs naar een kleine carrousel waarvan het polyester de strijd tegen de natuur aan ’t verliezen is. Toch komt dat winkelcentrum er, zegt de man die ik nog steeds niet kan thuiswijzen. Zijn antwoord wordt aangevuld met enige beschouwingen betreffende ons staatsbestel. Ik onthoud eruit dat België het meest corrupte land ter wereld is en dat alhier toestanden voorkomen die eertijds alleen maar in Albanië bestonden. Kortom, het wordt weer eens tijd om verder te trekken, want we zijn daar ten slotte om te wandelen. De hippievrouw begrijpt dat wel en ook de man zal ons niet langer ophouden. Terwijl we handen schudden krijg ik het koud. Dat is het moment waarop het me duidelijk wordt: de man gelijkt op Theodore Kaczynski, aka de unabomber, een mens die destijds dodelijke bombrieven rondstuurde om te protesteren tegen de grootschaligheid… die aan de overkant van deze straat naar de naam Cora zal luisteren. 
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen