vrijdag 5 september 2014

Weerhuisje

Mijn vader had een weerhuisje, zo'n minihuisje met twee deurtjes. Het werd bewoond door een koppel Duitsers uit het Zwarte Woud; een mannetje en een vrouwtje, in folkloristische klederdracht. Die twee woonden niet samen in dat huis, neen, ze woonden elk apart, zo apart dat ze zelfs hun eigen voordeur hadden. Ik denk dat de term Living Apart Together in die tijd uitgevonden werd.
Je zag dat koppel nooit eens samen. Bij zonnig weer kwam de vrouw buiten piepen, bij vochtig weer was het de beurt aan haar man. Dat was een goeie taakverdeling, want dat vrouwtje was licht gekleed en het mannetje had een paraplu.
Nu volgt enige uitleg over de werking van zo’n weerhuis, dat eigenlijk een hygrometer is. De figuren staan opgesteld aan ’t uiteinde van een plankje dat in 't midden opgehangen wordt aan een stukje schapendarm. Zo’n darm heeft de merkwaardige gewoonte om in elkaar te krullen bij droog weer en weer (in de betekenis van wederom) uit elkaar wanneer er vochtige lucht in ’t spel is. Mij zou het niet verwonderen als dat behulpzaam geweest is bij het in stand houden van de schapensoort, en wel van Altamira tot heden, maar wat belangrijker is: zo komt het ook dat die figuurtjes in en uit dat huisje draaien.
Mijn vader was erg met dat weerstationnetje in de heu… weer. Het stond naast zijn zetel op de vensterbank. ’s Morgens na ’t ontbijt dronk hij daar zijn koffie. Hij keek daarbij door ‘t raam en terwijl hij commentaar gaf bij het weer dat hij buiten ontwaarde, draaide hij aan de schoorsteen van dat huisje tot de juiste Duitser buitenstond. Voor mij was dat erg verwarrend. Mijn ouders zegden wel dat zo’n huisje het weer aanduidde, maar ik dacht dat het zoiets als sinterklaas was: kinderbedrog. Want als sinterklaas echt bestond, waarom hield hij dan zijn baard op met een wit lint? En als dat huisje uit zichzelf het weer aanduidde, waarom moest mijn vader er dan aan draaien?
Dat alles ben ik aan ‘t bedenken terwijl ik in mijn zetel zit en naar het weerhuisje kijk dat ik mij gisteren aangeschaft heb. Het vertedert me, want ik ben haast zeker dat het krek hetzelfde is als dat van mijn ouders. Het staat naast mij op de vensterbank. Ik kijk naar buiten en zie dat ‘t pijpenstelen regent. Ik draai aan de schoorsteen, en hopla, daar verschijnt het mannetje met zijn paraplu. Alles klopt nu, zowel binnen als buiten, alles is zoals het hoort, de regen en het paraplumannetje; ik ben één met het universum, het heelal baadt in een rustige zekerheid die je wellicht ook in 't Zwarte Woud aantreft. Waarna ik een wijle mijmer over het merkwaardige fenomeen waarbij een mens almaar meer op zijn ouders begint te lijken.
Flor Vandekerckhove


Een reactie plaatsen